Walpersberg Logo

Getuigenis

Getuigenverklaring Pieter Braaksma

Biografisch herinneringsverslag over gevangenschap, Buchenwald, Kahla en bevrijding.

Onderzoeksstatus gedocumenteerd

Onderzoeksrecord

Gedocumenteerde gegevens

Persoon
Pieter Braaksma
Rol
Zwangsarbeiter
Plaats
Kahla
Periode
1944

Overlevering en context

Pieter Braaksma Bron: http://vuurvink.ewi.utwente.nl:8080/Buchenwald/ 23.02.2009 12.00 uur Geboren op 2 augustus 1923 in Rotterdam Mannelijk geslacht Beroep ? Reden van gevangenneming: Razzia Datum van gevangenneming: begin oktober 1943 Verblijf in Buchenwald: april 1944 - ??? De heer Braaksma vertelt dat hij, nadat hij de Hogere Burgerschool had afgerond, graag de zee op wilde gaan. Vanwege zijn slechte ogen werd hij echter afgekeurd. Daarom besloot hij te gaan studeren en koos hij voor de richting architectuur aan de Hogere Technische School. Door de oorlog ging het bergafwaarts. Om niet in Duitse handen te vallen, werkte hij tijdens de bezetting een paar jaar bij de modelbouwafdeling van de Rotterdamse Lloyd. Ook maakte hij veel muziek. Hij trad vaak op met een band. Braaksma herinnert zich dat hij zich in het centrum van Rotterdam bevond, op de Goudse Singel, toen de oorlog uitbrak. Rotterdam werd gebombardeerd. Hij vluchtte op de fiets. Om aan de kogels te ontkomen, bukte hij zich op de grond. Het was verschrikkelijk, maar hij overleefde het. Daarna vertelt hij over de dag dat hij werd gearresteerd. Hij had een afspraak met een meisje; samen met een vriend en een vriendin van haar. Toen de meisjes niet opdoken, gingen Braaksma en zijn vriend weg. Toen ze om een hoekje gingen, zagen ze dat daar een razzia plaatsvond. Braaksma werd aangehouden en gefouilleerd. Hij had twee exemplaren van Vrij Nederland bij zich. Hij kreeg die af en toe van een vriend en gaf ze door aan familie en vrienden. Maar hij behoorde niet tot het verzet. Dat was niets voor hem. Het leek hem niet zinvol: een aantal verzetsacties had tot repressies geleid. Hij ervoer de bezetting als slecht. Met een groepje had hij zich af en toe met NSB’ers geslagen en was altijd ontsnapt. Het was begin oktober 1943 toen Braaksma bij de razzia werd opgepakt. Hij werd verhoord. De behandeling was ruw en hard. Behalve de twee bladen van Vrij Nederland had hij ook een vervalst identiteitsbewijs in zijn zak. Daarin stond dat hij in 1925 was geboren, in plaats van 1923. Dat kwam uit. Hij werd naar de gevangenis Haagse Veer gebracht en na een week naar kamp Erica in Ommen. Dat was een slecht kamp. Bij binnenkomst zag Braaksma een grote, magere man die met een bewaker aan zijn zijde hout aan het hakken was. Elke keer als de man viel, kreeg hij een schop zodat hij door bleef hakken. Ook bij de aanmelding werd hard geslagen. Gelukkig betrof dat Braaksma zelf niet. Hij moest daar vreselijk hard werken: bomen sjouwen. Na ongeveer twee weken werd hij samen met een groep van de grensbewaking naar kamp Amersfoort overgebracht. Hij komt nog kort terug op kamp Erica. Degene die daar de leiding had, was een voormalige missionaris. ’s Avonds bij het eten was er eerst een minuut stilte voor de gelovigen. Daarna hadden de gevangenen heel weinig tijd om een paar happen te eten. Daarna werden alle borden opgehaald en kregen de varkens het etensafval. Braaksma wist dat op de eerste dag nog niet en had, toen hij zijn bord moest inleveren, nog nauwelijks twee happen gegeten. Het eten was redelijk, maar op die manier kreeg je bijna niets binnen. De bewakers in kamp Erica bestonden uit het zogenaamde KK – Kommando Kontrolle – en dat waren allemaal Nederlanders. Er waren twee soorten gevangenen: de Groenen, die ook echt groene gevangeniskleding droegen, en de burgers. Braaksma behoorde tot de burgers. Hij zag dat de Groenen door de bewakers werden mishandeld. Dat gebeurde niet met de burgers. Al werden er af en toe spelletjes met hen gespeeld. Nadat Braaksma’s moeder zijn verblijfplaats had achterhaald, bracht ze hem kleding. Later tijdens het transport van Amersfoort naar Buchenwald had hij daar last van, omdat hij toen zwak was en zijn koffers zelf moest sjouwen. Braaksma vervolgt zijn verhaal met de aankomst in kamp Amersfoort. Eerst moest hij in de „Rosentuin“. Dat was een ongeveer twee meter brede ruimte voor het appelplein, waar alle nieuwe gevangenen naartoe werden gestuurd. Na binnenkomst werd hij gedesinfecteerd en kaalgeschoren en kreeg hij kleding. De kleding in Amersfoort bestond onder andere uit uniformen van de post en het leger. Als iemand tabak bij zich had, kreeg hij schoenen in plaats van klompen. Sokken waren er niet, alleen vodden. Tijdens de eerste dagen was het rondlopen op het appelplein de belangrijkste activiteit. Braaksma vertelt dat hij geluk had dat hij in de barak naast Van Heek, een textielmagnaat, was ondergebracht. Van Heek was zijn bedgenoot en hij raakte met hem bevriend. Toen Van Heek werd vrijgelaten, bezocht hij de familie van Braaksma. Hij bracht hen op de hoogte. Bovendien schreef hij Braaksma een brief – die deze nog steeds bezit – onder andere over het Riga-transport. Braaksma dreigde het transport naar het Russische front, maar hij weigerde dat te erkennen. Braaksma’s ervaringen in kamp Amersfoort waren verschrikkelijk. Hij werkte in het „Kleinholz“-kommando. Met een bezem van takken moest hij in het bos kleine takken bijeenvegen en daarna de hoopjes weer verspreiden. Volgens hem was dit werk uitsluitend bedoeld om de mensen te breken. De bewaker was half gek. Hij sloeg, sprong rond en tierde. Ook Braaksma kreeg klappen. Maar hij had ook geluk. In zijn barak woonden verzetsstrijders die hem een cursus over overlevingsstrategieën gaven. Zo leerde Braaksma dat hij niet mocht reageren als zijn buurman iets werd aangedaan. Verder herinnert hij zich dat er op een middag tijdens de wachtwisseling twee gevangenen waren gevlucht. ’s Avonds bij het appel klopte de telling niet. Plotseling werden de honden op hen afgestuurd. De gevluchte gevangenen werden gepakt en teruggebracht naar het kamp. Daar werden ze op het appelplein gelegd. Eén van hen was al dood, de ander lag te sterven. Een uit de ziekenbarak stormende arts werd teruggeduwd. Na het appel was ook de ander overleden. Dan vertelt Braaksma over een Jood die in de ziekenbarak verborgen zat. Hij werd opgespoord en in de „Rosentuin“ gezet. Met een geweer in de handen moest hij gehurkt zitten, met een bewaker aan zijn zijde. Als hij viel, werd hij geschopt totdat hij weer rechtop zat. De andere gevangenen werden gedwongen om vanaf het appelplein toe te kijken. Ook deze man stierf. Dat was zeer aangrijpend.Braaksma had het geluk dat hij op een dag in het NSF-commando kwam. Dat was de Nederlandse Signaalapparaten Fabriek van Philips. Hij kon zittend in een barak werken en kreeg een extra maaltijd. Daarvoor had hij ongeveer tien dagen in het aardappelcommando gewerkt. Dat was zwaar werk. Er moest een vracht aardappelen gelost worden. Omdat dat niet snel genoeg ging, moest hij uiteindelijk met twee manden vol aardappelen naar de kuil lopen. Dat was erg inspannend. Het NSF was een veel beter commando. Mensen uit de zwaardere kommando’s, de zogenaamde strafkommando’s, probeerden zich soms te onttrekken door gewoon op het toilet te blijven zitten. Maar soms werden de toilettenblokken met knuppels ontruimd. Braaksma had het ongeluk dat hij precies tijdens zo’n ontruimingsactie op het toilet zat. Ook hij werd eruit geslagen en was een half uur bewusteloos, wat hem later werd verteld. Het NSF-commando werd geleid door Martin, een Limburger. Hij had goed contact met de Duitsers en liet degene die Braaksma zo had geslagen opsporen, en die werd toen gestraft. Braaksma had nog een hele tijd last van zijn verwondingen. Hij herinnert zich dat hij voor zijn inzet in het NSF-commando dysenterie had gekregen. Hij lag een week in de ziekenbarak. Hij kon zich ook een keer een paar weken voor het werk onttrekken door zich na de appel te verstoppen in de barakken waar overtollige bedden en andere spullen waren opgestapeld. Op een dag werden de gevangenen op het appelplein bijeengeroepen en vernamen dat er een transport van ongeveer duizend man naar Riga samengesteld zou worden, die daar als frontarbeiders ingezet zouden worden. Eén voor één werden ze in een klein kantoor bij Berg en Kotälla geroepen. Braaksma sprak met zeven anderen af dat ze weigerden te tekenen. De eerste die weigerde, werd hevig geslagen en naar de bunker gebracht. Braaksma was nummer drie of vier. Hij moest een reden voor zijn weigering geven. Hij zei dat hij geen bommen kon maken die het schip van zijn broer konden raken. Zijn broer voer namelijk op de Stille Oceaan. Hij mocht gaan en werd korte tijd later naar Buchenwald getransporteerd. Tijdens het transport wist Braaksma niet waarheen het ging. De weg van het kamp Amersfoort naar het station was door het gesjouw met de twee koffers vol winterkleding een kwelling. De trein was een personen trein. Afwisselend konden de gevangenen zelfs zitten. De trein stopte op station Hengelo. Daar stonden zijn moeder en zijn broer met een koffer vol eten achter een klein muurtje. Een Nederlandse politieagent nam de koffer onopvallend en gooide hem door het raam naar Braaksma in de trein. Hij verdeelde het grootste deel. Het was een onvergetelijk moment. Midden in de nacht bereikten ze Buchenwald. Braaksma vermoedt dat het in april 1944 was. Ze werden geschopt en geslagen, uitgetrokken, volledig onthaard en in een desinfectiebad vol bijtende vuiligheid gestopt. Daarna kregen ze gevangeniskleding en een nummer. Braaksma’s nummer was 47674; in Amersfoort was zijn nummer 2445 geweest. Bovendien kreeg hij het rode driehoekje van de politieke gevangenen op zijn kleding. Zijn kleding bestond uit een gestreept jasje en een gestreepte broek en een hemd. Hij werd in een quarantainekamp ondergebracht. Daar sliep hij met acht man in een ruimte die voor vier personen was bedoeld. Ze sliepen telkens met het hoofd bij de voeten van de buurman. Het zat er vol met vlooien. Ze zaten op zijn hoofd, aan de binnenkant van zijn handen en zelfs aan de voetzolen. In de eerste dagen werd hij er bijna gek van, maar later werd hij ongevoeliger. In de eerste nacht sliep hij niet, acht man in een kist liggend op wat stro. In het quarantainekamp hoefde men niet te werken. Ze moesten alleen af en toe op appel verschijnen. Na de tijd in het quarantainekamp moest er echter toch weer gewerkt worden. Braaksma was in het commando van de steengroeve. Dat was een kuil van dertig tot veertig meter diep. Er was een hellend spoor met rails. De karren met stenen werden door de Joden over het spoor naar boven geschoven; de andere gevangenen duwden de karren over het pad naar boven. Braaksma werd ingedeeld bij dat duwwerk. In de hitte was dat werk onmogelijk. Na het werk in de steengroeve werkte hij aan de spoorlijn en vulde karren met zand. Als ze van het commando terugkwamen, liepen ze door de poort met de tekst „Arbeit macht frei“. Ze hadden altijd één of meerdere doden bij zich. Dat waren gevangenen die tijdens het werk waren gestorven. Bij de poort stond een muziekkapel die vrolijke marsmuziek speelde. Braaksma vond dat uiterst bizar. In het grote kamp woonde Braaksma in een Nederlandse barak. Aan de tijd in de barak herinnert Braaksma zich niet meer precies. Maar hij herinnert zich heel goed de doden bij het arbeidscommando, de vele klappen en het geschreeuw. Op een dag werd Braaksma opgeroepen voor een keuring. Hij moest naakt een ruimte binnenkomen waar een man met een rietje stond. Braaksma moest bukken, de man bekeek hem en hij werd geschikt bevonden. Braaksma wist aanvankelijk niet waarvoor. Maar korte tijd later werd hij naar het kamp Wille bij Tröglitz in de buurt van Jena gebracht. Daar werden Braaksma en de anderen ondergebracht in een soort feestzaal met houten bedden. Ze vormden een commando van vijftig Nederlanders. Vanuit dit kamp bouwden ze een tentenkamp in de buurt van de Brabag-fabriek. Eerst werkten ze in die fabriek en trokken kabels. Dat was zwaar werk. Daarna bouwden ze het kamp. Ze moesten een groot terrein met prikkeldraad omheinen. ’s Avonds gingen ze terug naar de feestzaal en kregen daar soep. Eén keer was die soep bedorven. Onderweg kreeg Braaksma daardoor diarree. Hij moest doorlopen, mocht niet stoppen en liet gewoon alles lopen. Terug op de slaapplaats kon hij zijn kleren uitspoelen en moest ze daarna nat weer aantrekken. Hij voelde zich behandeld als een stuk vee. Hij herinnert zich ook dat iemand die blijkbaar een brood had gestolen, door de bewakers zo zwaar werd geslagen dat hij een oog verloor. Hij werd hevig geslagen en als negatief voorbeeld neergezet. De anderen moesten toekijken.Op een dag waren daar tenten opgezet. Binnenin stonden houten kisten op palen en daarin lagen matrassen. In een van deze tenten werd een groep ondergebracht, waartoe ook Braaksma behoorde. Later kwamen er vierduizend Hongaarse Joden, onder wie ook enkele in Hongarije geboren Amsterdammers. Tijdens de bombardementen begonnen zij te bidden. Dat vond Braaksma verschrikkelijk. Het was een spektakel zoals bij de Klaagmuur. Hij en ook anderen konden niet toekijken, gingen uit de tent en gingen buiten zitten. Braaksma en een vriend hadden contact met de blokoudste van een van de tenten. Zij namen kleine klusjes voor hem over. Omdat de Nederlanders Ariërs waren, kregen zij de iets betere baantjes. Op een zekere dag werd Braaksma voorman in de fabriek. Dat duurde slechts twee weken, want van een voorman werd verwacht dat hij Joden sloeg en uitschreeuwde. Dat deed hij niet. Maar in die twee weken kon hij iets goeds doen. De fabriek was gebombardeerd, maar delen waren gespaard gebleven. Bij een put, waar een commando aan het werk was, was een laboratorium met glazen kasten vol prachtige koperen instrumenten. Omdat daar weinig bewaking was, greep Braaksma zijn kans en sloeg alles kort en klein. Dat voelde heerlijk aan! Braaksma herinnert zich dat ze eens bij de appel stonden en dat er iemand vermist werd. Het was een veertienjarige jongen die zich in de fabriek had verstopt. Hij werd gepakt en kreeg op het appelplein vijftig stokslagen. Toen was hij dood. Ook deze keer moesten de anderen toekijken. Uit het tentenkamp moesten de Joden een stenen barakkenkamp bouwen. Toen dat klaar was, werd het hele kamp naar dit barakkenkamp gebracht. In die tijd kreeg Braaksma een oorontsteking. Hij vertelt dat hij ’s nachts ook eens vreselijke kiespijn had. Hij stond op en liep naar de ziekenbarak. Daar stond een hele rij Joden. Ze lieten Braaksma voorgaan, wat hij aanvankelijk niet wilde, totdat de pijn te hevig werd. Met een tang werd zijn tand getrokken. Nogmaals verwijzend naar zijn oorontsteking vertelt hij dat er in de stenen barakken geen medische verzorging was. Hij lag ’s nachts wakker en had verschrikkelijke pijn. Het ging wel over, maar hij heeft er nu nog klachten van zijn oor aan overgehouden. Nadat ze enige tijd in het barakkenkamp hadden geleefd, werden de Nederlanders teruggestuurd naar Buchenwald. Braaksma weet niet veel meer van die tijd. Maar hij kan zich herinneren dat hij voor korte tijd met een vriend, Gerard Maisan (spelling onbekend), naar kamp E werd gestuurd. Dat was een opvoedingskamp. Hij was toen behoorlijk ziek, maar moest toch werken. Hij was net bezig met het laden van karren toen hij instortte. Hij kwam op een brancard weer bij, maar zijn vriend fluisterde hem toe dat hij moest blijven liggen. Hij kwam in de ziekenbarak, waar een Tsjechische arts hartzwakte vaststelde. Hij werd toen ondergebracht in een soort kleine ziekenbarak. Daar waren meer luizen dan mensen. De kleren die hij droeg leken levend van de luizen. Er kwam niemand, behalve zijn vriend die hem eten bracht. Ook kwam af en toe een verzorger om te horen hoe het met hem ging. Braaksma was een van de weinigen die antwoordde, omdat hij Duits sprak. Zo kwam hij een beetje in contact met de verzorgers. Op een dag kwam iemand van de organisatie Todt. Braaksma hoorde dat het een Rotterdammer was en sprak hem aan. De man moest de lijken ophalen en wegbrengen en vertelde hem dat die in de kloof werden gegooid. Een andere keer kwam een soort ziekenverzorger en vroeg Braaksma zijn dekens te pakken en mee te gaan. Buiten stond een vrachtwagen met stro. Braaksma en enkele anderen klommen op de wagen. Die reed met hen de bergen in. Het was vreselijk koud. Zo kwam hij in een echte ziekenbarak met zusters van het Rode Kruis. Dat was in de omgeving van Hummelshain. Het was een kasteel met barakken eromheen. Voor Braaksma was dat de hemel. Hij werd ontluist, gedesinfecteerd, in bad gedaan, kreeg andere kleren en werd in een bed gelegd. Hij werd door een Nederlandse arts behandeld en bleef daar enige tijd. Hij vermoedt dat hij na zijn herstel weer terugkwam in het kleine kamp. Dat was kort voor de bevrijding. Hij herinnert zich dat er plotseling geen Duitsers meer waren. De gevangenen werden aan hun lot overgelaten. Braaksma weet niet meer precies hoe hij terugkwam. Hij vermoedt met een vrachtwagen. Onderweg zag hij militaire activiteiten: tanks, wagens en de Volkssturm. Daar zat niet veel meer achter. Braaksma en anderen hadden het kamp verlaten omdat er niets meer te eten was. Onderweg gingen ze een keuken binnen om nog iets te zoeken om te eten. Alles was bedorven. Buiten werd geschoten. Plotseling zagen ze een rij Amerikanen in hun richting komen. Ze kregen pakjes sigaretten en koekjes. Daarna werden ze in een kamp ondergebracht. Uit het dorp werden mensen gerekruteerd om de kampen op te ruimen. Braaksma zag nu dat precies dat gebeurde wat hem was aangedaan. Dat maakte niets weer goed en hij had geen goed beeld meer van de mensheid. Op een dag kwam er een jeep aanrijden en stopte. Omdat Braaksma Engels sprak, werd hij gevraagd te vertalen. Zo kwam het dat hij twee weken als tolk werkte. Hij kreeg melk, extra eten en herstelde. Het is ironisch dat hij daarna nog vlektyfus kreeg en ernstig ziek werd. Hij bleef enkele weken in het ziekenhuis om weer beter te worden. Terug in Nederland woog hij nog maar negenenvijftig kilo. Hij reisde met een goederentrein naar huis. De ontvangst in Nederland was aanvankelijk goed. Hij kwam eerst in een klein grensplaatsje, vanwaar hij niet verder kon. Hij werd eerst in een kerk en daarna bij een familie ondergebracht. Hij bezocht daar de familie van een jongen die in de keuken van het jodenkamp had gewerkt en een week voordat Braaksma op transport ging was overleden. Na een week kon Braaksma naar huis reizen. Hij liet zich enkele straten van zijn huis door de vrachtwagen afzetten en ging naar het huis van een vriend. Hij wilde niet zo onverwacht binnenvallen. Zijn vriend bereidde zijn familie voor en zo werd hij thuis fantastisch ontvangen. De situatie thuis was goed. Ze hadden altijd genoeg te eten gehad. Zijn broers leken actief te zijn geweest in het verzet. De huisarts van Braaksma, die met de NSB had gecollaboreerd, weigerde hem extra voedselbonnen te geven. Het duurde een jaar voordat Braaksma weer op de been was. Hij woonde in die tijd op een boerderij. Daarna nam hij zijn leven weer in eigen hand en ging weer naar de HTS (Hogere Technische School). Hij rondde de opleiding niet af, maar begon samen met een vriend een eigen zaak.Door zijn verleden in het kamp is Braaksma erg wantrouwend geworden tegenover andere mensen. Hij kiest zorgvuldig de mensen uit met wie hij goed kan omgaan en die hij vertrouwt. Maar het wantrouwen blijft. Hij vraagt zich vaak af hoe de ander onder bepaalde omstandigheden zou handelen. Dan komt hij nogmaals terug op zijn tijd in Buchenwald. Hij kreeg eens de opdracht om het wasgoed op vrachtwagens te laden en het uit het kamp te brengen. De bedoeling was dat twee bewakers en twee gevangenen mee zouden rijden. In plaats daarvan namen de bewakers vier gevangenen mee, van wie er twee zich verstopten. De bewakers waren Duitsers en heetten Heinz en Karl. De een had een ooglapje en de ander een kapot been, waardoor hij slecht kon lopen. Onderweg stopten ze bij fruitbomen om de gevangenen iets extra’s te laten eten. Ze gaven hen ook brood. Deze bewakers dankt Braaksma eraan dat hij een paar weken uit het ellendige kampleven was. Braaksma benadrukt dat niet elke Duitser slecht was. Deze twee hebben Braaksma misschien de paar weken laten volhouden die nodig waren.

Bronnen en verwijzingen

  1. zeitzeugen_komplett_ocr.pdf