Getuigenis
Getuigenis van ooggetuige Armand Lemoine
Quellennahe Neu-OCR des in der Komplett-PDF ueberlieferten Berichts von Armand Lemoine.
Onderzoeksstatus gedocumenteerd
Onderzoeksrecord
Gedocumenteerde gegevens
- Persoon
- Armand Lemoine
- Rol
- ehemaliger Zwangsarbeiter
- Plaats
- Kahla / Walpersberg
- Periode
- 1944-1945; spaetere Niederschrift oder Befragung
- Herkomst
- unbekannt
Overlevering en context
Uit de archieven van de SS-legioen Wallonië.
Uit: Tijdschrift „Le Rappel“ van 1 mei 1945
We vinden de heer Armand Lemoine in zijn mooie huis in Pieton, waar hij ongestoord rust. Het lijkt erop dat hij gelukkig is weer thuis te zijn bij de haard, waar hij nu rustig kan leven en vriendelijke gezichten om zich heen ziet, die zich niet vertrekken om beledigingen, vloeken en bedreigingen uit te stoten, waar altijd daden op volgen. De heer Lemoine is afgelopen zaterdag, 21 april, teruggekeerd naar huis. Wat hij heeft doorstaan, is aanvankelijk te lezen in zijn uitgeputte, gejaagde gelaatstrekken, hoewel hij al wat is bijgekomen. Men moet het vooral als een getuigenis zien, zo niet zelfs als een aanklacht, die hij zonder passie met slechts half luide stem voordraagt. Je voelt dat deze man, een slachtoffer van de duivelse nazi’s, nog niet toe is aan normale inspanningen. Te veel praten kost hem moeite. Het was ons bijna pijnlijk hem opnieuw te belasten met dit interview. Maar de buitengewone vriendelijkheid van de heer Lemoine verdreef uiteindelijk onze bezwaren.
De razzia.
Op 25 juli 1944 voerde de veldgendarmes enorme razzia’s uit in deze omgeving, die aan de rand van het centrum en het land van Charleroi ligt. Wat was de reden voor deze jacht, waarbij de mens het wild was? Sabotage-acties, zeiden de bepantserde drijvers die in de streek waren ingezet. De Gestapo hield zich niet aan onvervreemdbare rechten: 37 gijzelaars uit Pieton, 114 uit Forchies, Carnieres, Anderlues, Binche leverden evenzeer een belangrijk contingent slachtoffers. Mannen van alle leeftijden en uit alle sociale lagen. Bestaan er sociale verschillen bij het wild? Deze hele grote kudde van meer dan 700 mensen werd nu naar het kamp van Casteau gebracht. De heer Armand Lemoine was erbij. Hij werd op het moment “opgepakt” dat hij op zijn fiets stapte en zich gereedmaakte om rustig naar huis te rijden vanuit zijn kantoor bij de “Bank van Brussel” in Charleroi. Het verblijf in Casteau was niet al te slecht. De Duitsers verloren intussen geen tijd. Een onafgebroken reeks scherpe verhoren en allerlei ondervragingen stelde hen in staat onder deze angstige mensenmassa, die bezorgd was over haar toekomstig lot, degenen eruit te pikken die het etiket “Vrijwillige Arbeiders” kregen en onmiddellijk naar Duitsland werden getransporteerd. De anderen, de overgrote meerderheid van deze gijzelaars, konden na een maand wachten weer naar huis terugkeren.
Het kamp van Kahla
Dat brengt ons nu vanaf 24 augustus in de verschrikkelijke tijd van verminkingen en slachtingen. De heer Lemoine was sinds de reis samen met dertien andere burgers uit Charleroi, afgezien van die uit Binche, Carnieres, mensen uit Anderlues, Trazegnies, Forchies en andere plaatsen. Het transport kwam aan in Kahla in Thüringen. Daar bevond zich een enorm groot kamp, verdeeld van 1 tot 7, waaraan de beruchte kampen E en 0 waren verbonden. Kamp E was het ongezondste, het duivelsste en het ergste. Dat viel de heer Lemoine en elf van zijn medeburgers toe, twee anderen werden naar Slowakije getransporteerd. Hier begonnen nu de verschrikkingen (dwangarbeid). “Ziek of niet, men moest hard werken,” legde de heer Lemoine ons uit, “anders zorgde de SS hier voor orde.” Iedereen moest werken, anders werd hij met slagen overladen en werd hem het recht op eten meedogenloos ontnomen. “Wat?” — “Ach, niets bijzonders: ’s avonds een kom soep. En wat voor soep! En ’s ochtends een kwart of een vijfde deel komissbrood. Dat was alles...” De krijgsgevangenen, de civiele gedeporteerden, bepaalde politieke gevangenen hadden nog het recht pakketten te ontvangen. In Kahla waren pakketten iets onbekends, evenals trouwens de hele briefwisseling in beide richtingen. “Ik heb de notaris, de heer Vallee uit Binche, met de houweel in de hand zien werken, bij het uitgraven van een tunnel,” voegt de heer Lemoine nog als nadere toelichting toe. Bij zo mager gevoede mensen, die zo zwaar werk niet gewend waren, begrijpt men dat hun krachten snel begonnen af te nemen. “Ze vielen als vliegen om en stierven van uitputting. Dat was, tussen haakjes, het trieste lot van de heer Leroy, die letterlijk tot op het bot uitgeput stierf.
Een gemene Belgische arts
“En de medische zorg?”, durven wij te vragen. “Willen we daarover spreken! We bleven drie maanden zonder ook maar de schaduw van een arts. Er was trouwens ook geen medicijn tegen de zwakte. En toen zei ik u al, dat de zieken, de koortspatiënten net zo goed moesten werken als de gezonden. Voor zover ik me herinner, kwam er om de paar maanden een Belgische SS-arts met de naam De Bruyn, die er een kwaadaardig genoegen in schepte de ongelukkigen, die niet meer konden, toch geschikt te verklaren voor de bouwplaats. De infectieziekten deden zich nu voor, vooral tyfus met uitslag en de bacillaire dysenterie. Dat was onvermijdelijk gezien de uitputting, de honger, de luizen, het volledige gebrek aan hygiëne en de slagen. Ze werden bewaakt door ruwe kerels. Mensen die zich vaak vermaakten een patiënt “op bed te leggen” op een tafel in de “martelkamer” en hem zoveel stokslagen gaven tot hij eraan stierf! (Ontzettend) “Of ook dat,” gaat de heer Lemoine verder, “men bracht de ongeschikten of de ‘ongeschikt gemaakte’ naar de beruchte bunker, waar de SS zich naar hartelust kon uitleven. Het treurigste aan de zaak is dat men moet zeggen dat het bij deze ontmenselijkte wezens, die zonder enige menselijke gevoelens, zelfs de meest elementaire, zonder hart en ziel waren, bij deze SS om Belgen ging, om medeburgers. Zij droegen het uniform van het beroemde Legioen Wallonië. De Belgische SS stond met haar werk de jongens van de Hitlerjugend bij. Ongelukkigen die niet meer konden, waren verplicht karren vol stenen te duwen. Om het hen moeilijker te maken bond men hun benen vast met touwen. Om ze sneller vooruit te drijven sloegen deze kerels hen met stokken op de handen.
De dood van atleet Julien Saelens
De Volkssturm, die aan het kamp was toegevoegd, gedroeg zich niet minder gevoelloos. “Ongeveer op 5 april zag ik hoe een van hen met een geweerschot een van onze kameraden neermaaide, die ongeveer 2 meter van mij verwijderd was. Het ging om Julien Saelens van Olympia Brugge, de Belgische recordhouder op de 100 en 200 m. Hij had een woordenwisseling gehad met een man van de Volkssturm, die hem de doorgang had geweigerd die hij wilde gebruiken om zijn eten sneller te ontvangen. Op een bepaald moment, toen Saelens hem de rug had toegekeerd, schoot de Duitser hem koelbloedig neer. De kogel doorboorde de topsporter en bleef vervolgens in het scheenbeen van een Italiaan steken. De ongelukkige Saelens stierf drie uur later.”Bevrijding
Gelukkig bracht het luide gedonder van de Amerikaanse kanonnen, dat van dag tot dag steeds dichterbij kwam, een versterkende boodschap van hoop aan al deze dappere mensen. De Duitsers spraken over het evacueren van het kamp naar Slowakije. Ze hadden daar geen tijd meer voor. Talrijke vluchtelingen van elders bevonden zich onder de gevangenen, zodat de SS Wallonië meer bezig was met het bemachtigen van burgerkleding dan met het zorgen voor hun gevangenen. Op 14 april maakte het sombere kamp de enorme vreugde van de bevrijding mee. "En de SS?" "Ach, die! Stel je voor dat ze de brutaliteit hadden om zich onder ons te mengen om gerepatrieerd te worden. Maar één voor één werden ze herkend door hun voormalige slachtoffers, ze werden door de Amerikanen gegrepen en opgesloten, waar weten we niet." Zo eindigde voor meneer Lemoine de pijnlijke lijdensperiode.
De mensen die niet terugkeerden.
Meneer Lemoine is gelukkig met zijn terugkeer naar Pieton, dat spreekt vanzelf. Niettemin drukt hem een groot verdriet. "We waren met twaalf in kamp E. Ik ben alleen teruggekomen. En de anderen? Vier zijn dood. Vier anderen zijn ziek." Zo vernemen we dat de Duitse aarde als lijkwade vier gegijzelden uit Pieton omvat: de spoorwachter Christoph Allard (47), de bakker Joseph Francq (32), de groothandelaar in boter Clement Anskens (44) en de kleermaker Roger Cambier (27). Niet voor niets werd het kamp bij Kahla "het dodenkamp" genoemd. Meneer Lemoine noemt ons nog de namen van andere slachtoffers: Raoul Jacobeus, uit Trazegnies, een jonge man van 18 jaar, Camille Boite en Maurice Guillaume uit Forchies la Marche.
Namen en trefwoorden
Bronnen en verwijzingen
- zeitzeugen_komplett.pdf (Original, 845 Seiten)