Walpersberg Logo

Getuigenis

Ooggetuige Pößneck-Honderdtal – Walpersberg / Bergplateau

Op de eerste werkdag in november … zag men een eindeloze, helder verlichte egalisatie, waarvan de talud werd afgepikteld door een nauwelijks te overzien menigte mensen. Rol: dienstplichtige jongeren | Periode: nov. 1944 | Plaats: Walpersberg / Bergplateau | Opmerking: Grondwerken voor de start-/taxibaan

Onderzoeksstatus gedocumenteerd

Onderzoeksrecord

Gedocumenteerde gegevens

Persoon
Zeitzeuge Pößneck-Hundertschaft
Rol
dienstverpflichtete Jugendliche
Plaats
Walpersberg / Bergplateau
Periode
Nov. 1944

Overlevering en context

Bij de beslissing van de REIMAHG-architect SCHIRRMACHER (volgens archiefstukken genoemd bij LANGE [12]) om de startbaan voor de in de tunnel vervaardigde tweemotorige MESSERSCHMITT-straaljagers van het type Me 262 op het plateau van de Walpersberg aan te leggen, was de benodigde arbeidskracht voor dit extra vrij omvangrijke bouwproject blijkbaar onderschat of konden de daarvoor benodigde krachten niet meer worden ingezet. In de herfst van 1944 vonden de eerste, zij het weinig effectieve massale inzetten van jongeren (voornamelijk leerlingen) in de leeftijd van 14 tot 16 jaar bij de REIMAHG plaats. Deze werkopdrachten met houweel en schop werden vervolgens tot het einde van de oorlog in meerdere golven herhaald. Ook de Thüringse Gauleiter SAUCKEL, die de bouw van de REIMAHG-installatie op de Walpersberg als zijn persoonlijke prestigeproject tegenover de luchtmachtleiding respectievelijk de jachtstaf beschouwde en met alle hem ter beschikking staande middelen forceerde, kon het op dat moment in zijn hoedanigheid als "Algemeen gevolmachtigde voor de arbeidseinsatz tijdens de oorlogstijd" blijkbaar ook niet meer mogelijk maken om arbeidskrachten "dankzij zijn ambt naar believen" beschikbaar te stellen, zoals in verschillende publicaties werd beweerd. Dat de lichamelijke arbeidskracht van de jongeren in het vijfde oorlogsjaar - mede door de voeding - niet erg hoog kon worden ingeschat, was waarschijnlijk ook de bouwleiding duidelijk, maar men hoopte waarschijnlijk door deze massale inzetten toch nog een bescheiden prestatieverbetering te bereiken, waarvoor anders geen personele en machinale reserves meer beschikbaar waren. De beslissing voor de bouw van de startbaan op de bergrug viel pas in augustus 1944, nadat alle andere nog denkbare mogelijkheden in de nabije omgeving alleen al vanwege de topografische omstandigheden als minder geschikt waren verworpen. De afstand van de fabriek tot de startplaats op de berg was van alle eventueel nog denkbare mogelijkheden natuurlijk de kortste, wat voor deze beslissing uiteindelijk het doorslaggevende criterium moet zijn geweest, ook al vereiste deze oplossing bovendien de bouw van een technisch gecompliceerde schuine lift aan de zuidzijde van de berghelling voor het transport van de vliegtuigen uit de fabriek naar de startbaan. De eerste luchtfoto's van de RAF-verkenners (Royal Air Force) van de Walpersberg van 15 augustus 1944 tonen dat met het kappen van het bos in het westen van de bergrug net was begonnen, goed zichtbaar aan de vrijgelegde lichte ondergrond, waardoor volgens de beschrijvingen van de luchtfoto-analiste Joan DAVID [1] een ander verdacht, aanvankelijk niet te identificeren bouwproject in het kader van de bijzondere gebeurtenissen op en rond de Walpersberg duidelijk werd gemarkeerd. Daarmee was de aandacht van de tegenstander in bijzondere mate gewekt, temeer daar deze op dat moment vooral op zoek was naar objecten die iets met de verwachte rakettenoffensief te maken konden hebben. Curieus genoeg wees de richting van de startbaan, zoals zou blijken, precies op Londen. De langgerekte, bijna horizontale rug van de berg moest voor de benodigde betonering van de startbaan over een lengte van ongeveer 1.000 m eerst geëgaliseerd worden, waarbij van noord naar zuid - dwars op de lengteas van de berg - een breedte tussen ongeveer 30 en 40 m van ongeveer nul meter in het noordoosten tot ca. 4,5 m aan de zuidrand (in de buurt van het bovenstation van de schuine lift, waar ooit het hoogste punt van de Walpersberg op 314,5 m boven NAP lag) moest worden afgegraven. In het oosten en westen werd voor de verlenging van de startbaan het losgemaakte gesteentemateriaal met de toen gebruikelijke standaard veldbaantjes van ca. 600 l inhoud aangevoerd en gestort, zodat er heuvelachtige verlengingen van het plateau in beide richtingen ontstonden. Ter compensatie van de breedte werd in de holtes van de zuid- en noordhelling evenals in de insnijdingen van oude, verlaten zandsteenbronnen van de fabriek nog meer afgravingsmateriaal gestort. Ter ondersteuning van deze in korte tijd te volbrengen taak - het betrof de afgraving van naar schatting 75.000 m3 gesteentemassa ter plaatse (mogelijk ook iets meer), waarvan in november 1944 ongeveer een derde tot net de helft was voltooid - werden nu de 14- tot 16-jarige leerlingen, dat wil zeggen allen die nog niet in het beroepsleven stonden of voor andere oorlogsverplichtingen waren ingeroepen, opgeroepen. Zij werden uit de directe en verdere omgeving (gedeeltelijk ook uit Saksen) dagelijks per trein naar de werkplek "startbaanbouw" gebracht. Aangezien deze aan- en afvoeren aanvankelijk uitsluitend met de reguliere personenvervoer van de DR plaatsvonden, betekende dit bij het oorlogsbedingde geringe aantal treinen per dag soms lange aan- en aflooptijden, wachttijden op overstapstations (zoals bijvoorbeeld in Orlamünde voor de Pößneckers of Jena voor de Geraërs en anderen) en ook extra voettochten van en naar daar, en een werkdag van ruim 14 tot 16 uur, wat vanwege de ongebruikelijke lichamelijke inspanningen bij bescheiden voeding niet bepaald als probleemloos kon worden beschouwd. Wat betreft de lange reistijden hadden bijvoorbeeld de jongens uit Gera, die in november gelijktijdig met de Pößneckers werden ingezet, het nog aanzienlijk ongunstiger (LICHTWER [13], SEIDEMANN [18]). Later waren er speciale treinen (ENGELHARDT [4]) die bijvoorbeeld van Pößneck onderstation rechtstreeks tot Kahla doorreden en na de voltooiing van de tijdelijke perrons in Großeutersdorf daar ook stopten, van waaruit de weg naar het plateau en de overige hoofdwerkplaatsen, met name aan de zuidhelling van de berg, het kortst was. De inzetten van de jongeren werden via de gebiedsleiding van de HJ georganiseerd en door de verantwoordelijke bannleider respectievelijk zijn plaatsvervanger op de werkplek gecontroleerd. De Pößnecker honderdman (Bann 218 Rudolstadt) werd door een bevel van de HJ-gebiedsleiding Weimar van 31 oktober 1944 opgeroepen (afbeelding 1), dat luidde: (Oorlogseinsatz van de Hitlerjeugd op een bouwplaats van 2.11. tot 15.11.1944). Deze eerste inzet werd na vier werkdagen voortijdig zonder opgave van redenen weer afgebroken (MÜLLER [15]). Er kan alleen worden vermoed dat de geleverde arbeidsinspanning met houweel en schop door de halfvolwassenen (meestal zonder de vereiste lichamelijke kracht) zo gering was dat de verantwoordelijke bouwleider dit gedoe van honderden jongeren met al de extra voor hem nog te verwerken organisatorische taken niet meer in een redelijke verhouding tot de totale inspanning zag. vgl. Tabel 1 uit MÜLLER [15]). Bovendien zouden ouders, zo werd later gezegd, protesten hebben ingediend bij de schooldirecteur in Pößneck tegen deze werkopdrachten, vooral vanwege het gebrek aan geschikte, of niet meer verkrijgbare werkkleding (in het bijzonder goed schoeisel en regenkleding) en tegen het voor de meesten toch te zware lichamelijke werk (HEILIG [7]). Desondanks werden de opdrachten periodiek tot het einde van de oorlog voortgezet, voor de Pößneckers in februari en maart 1945. Ditmaal werden de jongeren ’s nachts ondergebracht in een tunnel in het gebied van de oude, uitgebreide en uitgebouwde porseleinzandgroeve, om de dagelijkse tijdrovende en vermoeiende lange aan- en afritten uit te schakelen (ENGELHARDT [4], HETTLER [8], PEITL [16]). Andere jongeren, die voor langere opdrachten waren verplicht, woonden in een van de barakkenkampen rond Bibra, vermoedelijk in dat in het Zwabitztal, maar nog niet voltooid. Voor koeriers, die belast waren met het ophalen van materialen uit de fabrieken van de onderleveranciers van de vliegtuigfabriek of met soortgelijke taken (meestal een tot twee jaar ouder, vrijgesteld van militaire dienst), was er onderdak in een fabrieksgebouw in de stad Kahla, waar ook leden van de OT waren ondergebracht. Zij stonden onder direct gezag van de vliegtuigfabriek AGO/MESSERSCHMITT op de berg en hadden speciale passen (zonder foto, in plaats daarvan met duimafdruk), om de door Vlaamse SS bewaakte tunnel-ingangen naar de fabriek te passeren en om onbelemmerd op de Rijksspoorwegen de opgedragen taken te kunnen uitvoeren, waaronder vooral het toezicht houden op het zo snel mogelijk overladen van de meegevoerde materialen op de overstapstations (LICHTWER [13]). Op de eerste werkdag in november marcheerde de Pößnecker compagnie, waartoe de schrijver behoorde, in een lange colonne van het station Kahla richting de baksteenfabriek en vandaar over de berghelling aan de noordzijde omhoog tot op het bergplateau. Men zag over een, wat leek, eindeloze, helder verlichte egalisatie van toen ongeveer 15 tot 20 m breed, waarvan de zuidelijke talud, gemiddeld ongeveer 2,5 - 3 m hoog (zie boven), door een nauwelijks te overzien mensenmassa werd afgegraven. De losgemaakte gesteentemassa’s werden met de schop op veldbaantjes geladen en – hier in het oostelijke deel van de vlakte – op een aan de oostzijde niet onaanzienlijk van de bergkam in het Saaletal uitstekende hoop gestort, die door het lichte opgestorte gesteentemateriaal al van verre opvallend zichtbaar was. Zij was een bijzonder kenmerk van de berg geworden. Dicht bij onze werkplek, aan de noordrand van het plateau, stond een uit beton en bakstenen opgetrokken kubusvormig bouwwerk van 5 m ribbenlengte en ca. 2 m hoogte, waarop bovenop een kabelomlooprol van ongeveer 3/4 m diameter was gemonteerd. Deze blok vormde het bovenste bouwwerk van een op rails lopende materiaalheftruck, die over een rechtgetrokken strook op de noordoosthelling tot aan de weg reikte, die nu naar de noordelijke ingang van de Bundeswehr-installatie leidt. Volgens de overgebleven herinneringen was deze heftruck (remberg) in november 1944 nog niet in bedrijf. Bij dit heftruckbouwwerk (van waarvan de ruïne nog aanwezig is), moesten wij ons op de eerste werkdag verzamelen. Daar hield een officier van een luchtmacht-bouwcompagnie, blijkbaar de commandant op het bergplateau, een toespraak. Hij maande ons tot nauwgezette plichtsvervulling en voerde aan dat dit werk spoedig voltooid moest worden om de wending van het oorlogsverloop door de creatie van een nieuw, de vijanden ver overtreffend wapen, te kunnen bewerkstelligen. Voor het bereiken van dit doel was onze inzet zeer belangrijk; anders zou er verschrikkelijks over ons allen komen. Zijn enige zoon was in Rusland gesneuveld en voor hemzelf was er ook om die reden nu niets anders meer dan hier met volle kracht te werken en ook wij moesten, gezien de dreigende oorlogssituatie, ons best doen voor het slagen van dit buitengewoon belangrijke project. Aangezien begin mei 1944 het gehele bouwapparaat van de luchtmacht door GÖRING aan de OT (Organisation Todt) ter beschikking was gesteld, kan men aannemen dat onze commandant ook onder de OT viel en in officier rang de verantwoordelijke bouwleider voor de te bouwen startbaan was. In onze oproepingsbevel (MÜLLER [15]) van 31 oktober 1944 stond onder punt 3 (vgl. afbeelding 1): Uitrusting: Alle deelnemers dienen indien mogelijk voorzien te zijn van broodzak en veldfles voor het opnemen van de koude maaltijd en het wasgoed. Bovendien moet iedere deelnemer aan werktuig zelf een schop, spade of hakbijl stellen en meenemen." Nadat bleek dat niemand het gewenste werktuig had meegebracht, werden na lang heen en weer hakbijlen en schoppen uitgedeeld, die in grote kisten naast een primitieve, uit planken in elkaar getimmerde bouwkeet (die blijkbaar het "kantoor" van de bouwleider was), aan het over de oosthelling in de richting van de legerweg aangelegde paadje stonden. Daar werden ze na het werk weer verzameld en afgesloten. Onze eerste taak was om de op de noordhelling dicht onder de zijdelingse ophogingen achtergebleven humus verder hellingafwaarts te schrapen, wat vanwege het dichte, fijne wortelwerk tussen de achtergebleven boomstronken praktisch onmogelijk bleek en waarschijnlijk ook geheel overbodig was. Dit vreemde werk werd opgegeven en wij werden toegewezen aan de enorme mierhoop van hakende en scheppende die met de egalisatiewerkzaamheden bezig waren en zo stonden wij dan op alle verdere werkdagen naast een groot aantal Italiaanse krijgsgevangenen ("Badoglios") in hun groenachtige uniformen. De beladen wagentjes werden meestal onder luid geschreeuw van de betrokkenen weggeschoven, dan werd erop gesprongen en met wisselend succes geprobeerd zo tot aan de kiepplaats mee te rollen, omdat een aanwezige veldbaan-dieselloc vaak niet functioneerde of ergens in het westelijke deel van de vlakte reed. Veelvuldig ontsporen van de wagentjes op de vanwege de vaak noodzakelijke terugritten slechts provisorisch gelegde rails was het onvermijdelijke gevolg, waarbij het weer op de rails hijsen van de beladen, zware wagentjes met behulp van een laadboom elke keer onder luid hoorbaar gejoel plaatsvond. Volgens de herinneringen van de auteur stond begin november slechts één graafmachine bij de af te graven wand ongeveer in het midden van het plateau, die op onbekende wijze, mogelijk ook in delen, over het smalle bospad dat omhoog loopt aan de noordhelling, was vervoerd. MEYER [14] merkt hierover in zijn rapport op: "Hiervoor werden ware monsters van graafmachines ingezet. Het omhoog krijgen naar de berghoogte kostte al veel moeite, maar het naar beneden krijgen was nog moeilijker." Op een andere plaats geeft MEYER aan dat in totaal 23 grote graafmachines op de Walpersberg in gebruik waren, waardoor het als zeker kan worden beschouwd dat na onze inzet in november nog meer apparaten naar het bergplateau zijn gebracht. In ons werkgebied waren nog enkele Russische krijgsgevangenen actief, onder andere met het aanscherpen van een groot aantal kleinere palen, die waarschijnlijk voor het afzetten nodig waren. Ook droegen zij af en toe met z’n tweeën op een draagberrie telkens een cementzak van de Heerweg over het genoemde bospad naar het plateau voor werkzaamheden die wij niet konden zien, waarschijnlijk voor de bouw van het bovenste landhoofd en de machinekamer voor de vliegtuig-schrägelevator aan de zuidelijke rand van het plateau. Deze vorm van cementtransport wijst er ook op dat de genoemde materiaalopvoer aan de noordhelling ten tijde van onze eerste inzet begin november nog niet voltooid was. Het betoneren van de baan begon later, waarbij het cement en grind, of het kant-en-klare beton, dan grotendeels met deze opvoer omhoog werden gebracht (CIOS [3]). In totaal waren tijdens onze novemberinzet dagelijks naar schatting ongeveer 800 mensen bezig met het afgraven en egaliseren op de bergrug. Subjectief gezien gingen deze werkzaamheden slechts langzaam vooruit. Af te graven waren door zanderig materiaal meer of minder sterk samengeklitte oude Saale-ijstijdgrindlagen, die als een kap de hele bergrug bedekten, en wel (waarschijnlijk over de gehele lengte van de berg) tot aan de daaronder liggende ongeveer 10 m dikke zandsteenlaag, die in enkele breuken zowel aan de noord- als aan de zuidhelling, dicht onder de plateaukant, vroeger als veelgebruikt bouwsteen werd gewonnen. Aan de westkant hellen deze lagen zachtjes af (op 1.000 m ongeveer 10 m), zodat ook de daarop gebouwde startbaan - gezien in westelijke richting - licht afliep. De startbaan had, voornamelijk door deze geologische omstandigheden, in de voltooide staat dus geen echt horizontale ligging. Op plaatsen waar de ondergrond verdicht moest worden, werd een zware explosiehamer ingezet, meestal bediend door een Italiaan (destijds vrij gebruikelijk), die via een stuurbeugel werd geleid. Deze werkte tijdens onze werkdagen in november met zijn eigen onmiskenbare lawaai in het middelste en westelijke deel van de vlakte (SEIDEMANN [18]). In gebieden waar het af te graven grind te hard samengeklit was, werd het gesprongen. De boorgaten werden gemaakt met een kleine verticale boormachine, zoals die in steengroeven wordt gebruikt voor het afkappen. Het springen en dekking zoeken was elke keer een belevenis en een welkome werkonderbreking. Een deel van het gewonnen grind werd waarschijnlijk gezeefd en voor het latere betoneren van de startbaan bewaard. Hoeveel kubieke meter van de aanwezige grindmassa’s dagelijks of per man per dag werden afgegraven, is niet bekend en zeer moeilijk te reconstrueren. De geleverde prestaties kunnen slechts ongeveer worden geschat: Een aangenomen totale afgraving van ongeveer 75.000 m3 in situ in een periode van ongeveer zes maanden zou een gemiddelde prestatie (inclusief zondagen) van ongeveer 420 m3 per dag betekenen, bij 800 arbeidskrachten ongeveer een halve kubieke meter per man, wat bij enigszins met de houweel goed los te maken gesteente een buitengewoon lage prestatie zou zijn, waarbij in een 8-urige werkdag niemand zou zijn ingestort. Bovendien zouden nog de prestaties van de graafmachines moeten worden afgetrokken, die volgens de toenmalige machinenorm waarschijnlijk rond de 25 m3 per effectieve inzetuur en apparaat lagen. Daarom is het moeilijk de verklaringen van Lange [12] te volgen, waarin hij volgens een verslag van F. STEMLER, een Poolse dwangarbeider van REIMARG, de geleverde prestaties citeert met de woorden: "Voor het uitgraven van een kubieke meter aarde rekent men normaal 7 uur, hier moesten 27,5 uur worden gerekend." Waar STEMLER deze gegevens vandaan zou hebben, is onduidelijk, evenals wat hij precies met "aarde" bedoelt, aangezien onder deze term in de eerste plaats los materiaal wordt verstaan en of hij hier de fundamenteel verschillende onder- of bovengrondse prestaties bedoelde, enzovoort. Volgens het standaardleerboek van mijnbouwkunde van HEISE-HERBST-FRITZSCHE (10e druk 1962, p. 6), staat er in het hoofdstuk "Sleuven, schachten en tunnels": "De kosten van met houweel en schop te maken sleuven kunnen worden berekend op basis van een gemiddelde prestatie van 4 m3 per man per dienst." [Opmerking van de auteur: natuurlijk voor een volwaardige arbeidskracht en waarbij een dienst nauwelijks meer dan 7 uur effectieve werktijd kan omvatten]. Hieruit blijkt onder normale arbeidsomstandigheden en voor met houweel en schop los te maken gesteente bij LANGE [12] 7 werkuren per kubieke meter, dat wil zeggen een ongeveer 4,3 keer zo grote tijdsinvestering, wat onbekend blijft. Bovendien werd volgens STEMLER bij REIMARG de uitgraving van een kubieke meter niet alleen met 7 maar met 27,5 uur gerekend, dus met ongeveer 16,5 keer langere werktijd dan de hierboven genoemde norm uit de mijnbouwkunde. Volgens STEMLERs berekening zouden de egalisatiewerkzaamheden voor de geschatte 75.000 m3 2.062.500 werkuren hebben vereist, die door 800 voortdurend beschikbare arbeidskrachten pas in 368 werkdagen (bij 7 effectieve werkuren per man per dag) hadden kunnen worden voltooid. Het feit is echter dat de gehele egalisatiewerkzaamheden, inclusief het betoneren van de startbaan zelf van 1.000 m lengte, 30 m breedte en ongeveer 30 cm dikte, op enkele kleine resterende werkzaamheden na, medio februari 1945, dat wil zeggen vrijwel precies na een half jaar werktijd, waren afgerond. De arbeidsinspanningen, respectievelijk het aantal gemiddeld ingezette arbeidskrachten, moeten vooral met het oog op de hier nog af te trekken grote graafwerkzaamheden anders, respectievelijk behoorlijk verschillend zijn geweest, in ieder geval anders dan die door LANGE geciteerd. Bij een tweeschiftsdienst, als er al in zo'n dienst gewerkt zou zijn, dat wil zeggen met 2 x 800 arbeidskrachten en elk 7 effectieve werkuren per dienst, zou ongeveer een half jaar bouwtijd berekend worden, waarbij echter ook weer de graafwerkzaamheden met betrekking tot de prestatie per man en dienst in aanmerking genomen zouden moeten worden. Al kort na onze aankomst op de berg maakten wij kennis met een even onsmakelijke als onbegrijpelijke toestand, die gedurende de gehele bouwperiode, dat wil zeggen tot medio april 1945, aanhield, voor allen die erbij betrokken waren onvergetelijk bleef en uiteindelijk leidde tot ernstige gezondheidsproblemen, namelijk verschillende epidemische ziekten, die zonder onderscheid bij alle aanwezigen zouden optreden: Op de eerste werkdag, die koel en licht regenachtig was, wilden wij in het bos aan de noordhelling uit de talrijke afgehakte dennen takken van de gekapte bomen een hut bouwen voor het opbergen van onze kleding en broodtrommels. Maar waar men ook op de berghelling stapte, men stapte in menselijke uitwerpselen, in een aantal dat simpelweg onvoorstelbaar was en dienovereenkomstig was ook de stank, die voortdurend door het dennenbos trok en volgens meerdere verklaringen onverminderd tot het einde van de oorlog aanhield. Dit feit, dat voorzichtig geformuleerd slechts als een absoluut onverantwoorde nalatigheid kan worden aangeduid, was des te onbegrijpelijker omdat het met eenvoudige maatregelen mogelijk geweest zou zijn de vereiste netheid desnoods bij bevel af te dwingen. Waarom ook de bouwleiding deze voortdurende vervuiling volkomen machteloos toezag zonder blijkbaar te bedenken dat door de verspreiding van epidemieën de gehele bouwactiviteit waarschijnlijk gemakkelijker lamgelegd had kunnen worden dan door een bombardement vanuit de lucht, blijft onbegrijpelijk. Mogelijk was bij de verantwoordelijken al het besef doorgedrongen dat het voor dit project toch "te laat" was en zo liet men de teugels vieren, ook met het risico van een niet geringe eigen infectie. In ieder geval probeerde ten minste onze verantwoordelijke kampleider wat meer orde in deze onbegrijpelijke toestand te brengen tegenover zijn aan hem ondergeschikte Pößnecker jongens in een voor de tweede werkdag op vrijdag 3 november 1944 uitgevaardigd dagbevel (MÜLLER [15]). Punt 5 van zijn schriftelijk uitgevaardigde bevel luidde daarom (zie afbeelding 2): "Elke honderdman zorgt in de loop van 3.11.44 voor de oprichting van een voorlopige latrinevoorziening. De plaats daarvan moet aan de jongens bekend worden gemaakt. Er moet voor worden gezorgd dat het bos niet wordt vervuild en dat andere aanwezige arbeiders op de bouwplaats deze niet gebruiken." Onze latrine werd vervolgens gebouwd in het dennenbos aan de noordelijke berghelling, ongeveer 80 m bergafwaarts van de plateau rand, iets westelijk van de materiaalopslag. Toen deze klaar was, werd ze onmiddellijk door de Italiaanse krijgsgevangenen gebruikt. Daarna werd de moeizaam gebouwde voorziening uit angst voor besmettelijke ziekten door ons niet meer gebruikt. Het dringend noodzakelijke en aangevraagde chloorkalk werd ook niet geleverd en zo bleef het bij de eerdere toestand. Geleidelijk ontstonden als gevolg van deze bij de samenkomst van grotere mensenmassa's in strijd met alle minimale hygiënische eisen bestaande omstandigheden (versneld door de koude wintermaanden en de steeds slechter wordende voedselvoorziening) bijna zoals te verwachten steeds meer epidemische darmaandoeningen, onder andere ook tyfus, die in maart ook bij de in de kampen bij Bibra ondergebrachte jongeren tot een aanzienlijke ziekteverzuim, ontslagen naar huis of quarantaine leidden. Vooral onder de buitenlandse arbeiders was in maart een zeer zorgwekkend ziekteverzuim met talrijke sterfgevallen vast te stellen (LANGE [11]). Van deze epidemieën waren eind maart min of meer alle mensen die op of in de Walpersberg werkten getroffen of op de een of andere manier met deze infectieziekten geconfronteerd. Voor de behandeling van verwondingen die tijdens het werk optraden, was voor de jongeren de medische post nabij het aan de noordoostelijke helling gelegen, met prikkeldraad omheinde barakkenkamp voor de Italiaanse krijgsgevangenen verantwoordelijk. De daar dienstdoende arts was eveneens Italiaan. In de barak stonden een aantal bedden die met wit linnengoed waren overdekt en in een opmerkelijk contrast stonden tot de overige vuiligheid op de berg (ENGELHARDT [4]). Dicht onder onze werkplek stond op een open plek aan de zuidhelling een nieuw, voortdurend afgesloten solide, deels onderkelderd blokhuis, waarvan de betekenis veel werd geraden. De geruchten verkondigden dat het toebehoorde aan Rijksmaarschalk GÖRING, de opperbevelhebber van de luchtmacht, die samen met leidinggevende personen van het Jägerstab op 10 oktober 1944, dus kort voor onze inzet, de REIMAHG had bezocht. Het nieuw gebouwde huis maakte echter deel uit van het complex en diende Gauleiter SAUCKEL, de almachtige bouwheer, als verblijf of kantoor bij zijn bezoeken. Tijdens onze verblijfsdagen in november verscheen echter niemand in dit blokhuis. Er waren geen prominente bezoekers die zich bij Faber wilden informeren over onze werkresultaten. Normaal gesproken bereikten wij vanuit Pößneck rond half acht uur de bouwplaats, op een tijdstip dat vanwege de niet meer zo punctueel rijdende treinen niet dagelijks exact kon worden aangehouden. Op een dag moesten wij vanwege een treinuitval vanaf station Orlamünde naar de berg marcheren en kwamen daardoor overeenkomstig laat aan (afstand ca. 3,2 km tot op het plateau). Officieel werk einde was 16.30 uur. Daarna ging het, meestal onder niet te missen gejoel, in groepen zonder marsorde naar het station Kahler, waar het dan weer tot een grote samenkomst van de jongens met bijbehorend lawaai kwam, voordat eindelijk de verwachte treinen binnenreden en door grote menigten, in strijd met alle bevelen, onder geschreeuw "bestormd" werden. Het dagbevel (afbeelding 2) van 3 november 1944 vermeldt onder punt 12 niet zonder reden: "Op het station wordt met de grootste discipline de bezetting van de treinen uitgevoerd. De honderdman is verantwoordelijk."Wanneer dan eindelijk het thuisfront Pößneck werd bereikt, was meer of minder altijd onbepaald. Op een avond trokken we bijvoorbeeld, vanwege eindeloze treinvertragingen en om het zenuwslopende wachten op het overstapstation Orlamünde te ontlopen, nog in het donker door tot Langenorla, waar de trein ons uiteindelijk inhaalde. 'Ontbijttijd was van 9.30 tot 9.50, middagpauze van 13 tot 14 uur. Een boer bracht op een met stro bedekte ladderwagen (paardenspannen) de eetemmers naar de bouwplaats, waaruit voor iedereen hetzelfde eten werd uitgedeeld, meestal een soort aardappelsoep, ook met een paar kleine stukjes vlees. Wie thuis niet door een landbouwbedrijf of iets dergelijks beter werd voorzien, dat wil zeggen uitsluitend afhankelijk was van zijn rantsoenen op voedselkaarten, had lichamelijke inzet met honger te maken, daarom werd de lunch ook graag aangenomen. Dat het eten vanwege onsmakelijkheid in het zand werd gegooid (zoals door een andere deelnemer beschreven en door LANGE [12] geciteerd), konden noch de auteur noch de door hem ondervraagden ooit waarnemen. Het zal waarschijnlijk een uitzondering zijn geweest. LICHTWER [13] noemt bij zijn langere inzetten de warme maaltijden "noch goed noch slecht" (meestal koolsoepen), de avondmaaltijd was volgens de toenmalige voedingsomstandigheden zeer behoorlijk. Verder werd volgens herinneringen van getuigen die in februari 1945 voor een verdere arbeidseinsatz werden gedirigeerd, hetzelfde eten ook aan de Italianen*), eigenlijk aan iedereen die bij de startbaanbouw betrokken was, uitgedeeld, waarbij de teams zich door een naar voren taps toelopende, op een veeweide lijkende lattenconstructie**) naar de uitgifteplaats moesten wurmen, waar SA-mannen "uit SAUCKEL's garde" (LANGE [11]) toezicht hielden***) en pesterig onder andere op de juiste plaatsing van de HJ-armband letten en zich wild gedroegen als deze in het gedrang verschoven was (HÜTTNER [9]). *) Andere gegevens zeggen dat de Italianen hun maaltijden in een eigen keuken zelf bereidden en tegenover anderen zelfs witbrood kregen. Ook zouden de Fransen hun eigen keuken hebben gehad. Mogelijk was er alleen voor degenen die op het bergplateau werkten, vanwege hun grote aantal, een uniforme voorziening voor de warme maaltijd. **) In november bestond volgens eigen herinneringen zo'n lattenconstructie voor de voedseluitgifte niet, ook waren er toen geen SA-mannen als toezichthouders op het bergplateau. In februari waren er volgens ENGELHARDT [4], blijkbaar vanwege de aanwezigheid van gedetineerde arbeiders, bewakers met honden op het bergplateau. Bij luchtalarm moest de vanuit de lucht goed zichtbare bouwplaats worden ontruimd. Bepaalde tunnels van het ongeveer 80 m onder het niveau van het bergplateau gelegen werk werden als schuilplaatsen toegewezen. De onze lag in een toegang op de noordhelling, midden tussen de bomen (dennen) en had op dat moment nog geen zijtoegangsweg. Vermoedelijk was het die opening die nu de noordelijke hoofdpoort van de Bundeswehr-installatie vormt. Bij ons verschijnen daar troffen we altijd twee sterke Oekraïense vrouwen aan (kennelijk goed gevoed), die op een van de standaard veldbaantjes zand uit de tunnel reden en dit direct voor het portaal dumpten. Tegen hun sterke gestalte leken de meesten van ons lichamelijk nogal "mager". De hier aangelegde tunnel was niet al te lang en eindigde waarschijnlijk nog blind in de berg. Aan de iepen hingen elektrische lampen (gloeilampen met platte, geëmailleerde lampenkappen) die de ruimte matig verlichtten. Een naar rechts, in westelijke richting afgaande, licht naar het zuiden gebogen aftakking, die na ongeveer 30 m eindigde, was onze luchtbeschermingsruimte, die nog niet was uitgebouwd, dat wil zeggen niet met spuitbeton bekleed en met een betonvloer. Hij stond ruw in het geelachtige tot lichtbruine, subjectief gezien vrij massief ogende zandsteengebergte. Wanneer de zware luchtafweerbatterijen in Jena schoten, viel echter het zanderige losse materiaal van de nok en de stoten, wat het verblijf ondergronds wat ongemakkelijk maakte. Door de tunnel trok altijd de typische geur van springstoffen. Verder bewoog er tot onze spijt niets in dit gebied van de mysterieuze ondergrondse wereld, omdat we uit nieuwsgierigheid en interesse wilden weten wat er nu eigenlijk precies in deze berg gebeurde. Wij, slechts ingezet als scheppers bij de startbaanbouw, kregen niets concreets te horen over het ondergrondse werk en konden ons uitsluitend aan de rondgaande geruchten meer slecht dan recht oriënteren, omdat deze gewoonlijk slechts gedeeltelijk de feiten weerspiegelden. Bij het optreden van zulke grote massa's jongeren bleef het niet uit dat allerlei krachttoeren uit overmoed werden uitgelokt, die onder andere ook uit het bevrijdende gevoel voortkwamen om aan school ontsnapt te zijn. Uit deze nieuwe levensomstandigheden ontstond op een dag een duel met kleine kleiklompjes met de "Badoglios", dat echter door een oudere Italiaan zeer snel met zijn energieke optreden werd beëindigd (HEILIG [7]). Gejoel en geschreeuw, ook om nietige redenen, bleven, bijna zoals te verwachten, niet uit en begeleidden de hele eentonige dagindeling. Zo herinnert zich ook de stadsbouwmeester van Kahla, Albert MEYER [14], in zijn verslag over "Kahla en het REIMAHG-werk" met betrekking tot de startbaanbouw op de berg het volgende: "Voor de vervaardiging daarvan werden ook Jenaer schooljongens ingezet, wier meest opvallende eigenschap waarschijnlijk het gruwelijke lawaai was dat ze daar boven maakten. Men kon het aan de overkant in Lindig*) horen." *) Afstand in vogelvlucht gemeten: 3 km. Er waren ook verwijzingen van de bouwplaats wegens onbehoorlijk gedrag of bijvoorbeeld vanwege het dragen van ongewenste hoofddeksels, wat werd gerechtvaardigd met het argument dat er geen andere geschikte werkkleding meer was. Zulke was in het zesde oorlogsjaar ook nauwelijks nog te verkrijgen, vooral geen weerbestendige kledingstukken en het dringend benodigde stevige schoeisel. Als compensatie voor de slijtage van kleding zou overigens iedereen per inzetdag 1.- RM uitbetaald krijgen (zie afbeelding 1, punt 6), wat in ons geval, voor zover herinnerd, nooit gebeurde. Bevolen was volgens punt 2 van het oproepingsbevel (en ook streng gecontroleerd) het dragen van de HJ-armband, om ons in de onoverzichtelijke volksmenigte op de berg herkenbaar te maken. Deze aan de linker mouw gedragen band gaf ons op de stations vrije doorgang door de perronsluitingen, wat een geheel nieuw "soeverein" gevoel in ons opriep tegenover de tot dan toe gebruikelijke schoolplicht, vooral met het oog op de anders zo nauwkeurige kaartcontroles, zoals die in die tijd nog steeds op alle stations met grote grondigheid werden uitgevoerd. Er was dus verrassend een zekere nieuwe vrijheid geschapen, die - voor anderen ook duidelijk en storend hoorbaar - werd ingevuld door jeugdige geschreeuw en lawaai. Wachters voor de Italiaanse krijgsgevangenen - waarvoor onze herkenning met de hakenkruisarmband nog van groter belang had kunnen zijn (vgl. hierboven) - waren op de bergrug, althans op de dagen van onze aanwezigheid in november, niet te zien. Ook was het hele terrein aan de voet van de berg niet afgesloten. Men kon daarom, althans aan de oost- en noordhelling, ongecontroleerd alle paden naar het bergplateau passeren. Enige waarnemingen van pesterijen of brute mishandelingen van krijgsgevangenen of de overige in grote aantallen werkzame buitenlandse en dwangarbeiders, zoals die algemeen herhaaldelijk in bepaalde publicaties sinds decennia steeds weer worden vermeld, konden tijdens onze inzetdagen in ieder geval niet worden waargenomen. Het pikken en scheppen verliep in een min of meer vrijblijvende, zichzelf regulerende, trage ritme. Bijblijvend is dat de Italianen op de koele dagen steeds weer probeerden open vuren te maken, van nat hout, teerresten en andere rondslingerende materialen, waardoor every keer duidelijke rookpluimen opstegen. Dit was voor de luchtmacht-bouwleider een aanleiding om schreeuwend en dreigend aan te rennen, om met een schop op de vuurplaats te slaan en daarna de rookbron met zijn laarzen uit te trappen. Deze handeling was vanwege het vermoeden van opzettelijk "rooksignaal" gerechtvaardigd, vooral omdat vijandelijke vliegtuigen in deze oorlogstijd bijna voortdurend ergens aan de hemel waren en vanwege meestal alleen vliegende verkenners al geruime tijd geen vliegalarm meer werd gegeven (hooguit de zogenaamde "vooralarm", waarbij doorgewerkt moest worden). Vuur maken op de bouwplaats was daarom verboden. Deze regeling had zeker ook de Italianen bereikt; toch verzetten zij zich en daagden zo herhaaldelijk de toezichthoudende personen uit. Over de kwestie van het hier genoemde woedende optreden van de bouwleider tegen het herhaaldelijk verboden vuur maken van de Italianen wordt verwezen naar een beschrijving van LANGE [121], waarin hij onder verwijzing naar een krantenartikel van M. THIELE in "Das VOLK" (orgaan van de districtleiding Erfurt van de SED van 3.2.65) schrijft: "Tijdens de werkzaamheden aan de betonbaan sloeg de Duitse arbeidsleiding een buitenlandse arbeider dood. Vloekend trad hij [zij] op het levenloze lichaam, tot het lijk door twee anderen terzijde werd gedragen." Bij deze beschrijving lijken twee vragen op hun plaats, namelijk of a) de bouwleider (als het om de onze zou zijn gegaan) door deze voortdurende herhalingen van het vuur maken niet eens de zenuwen zijn doorgeslagen, of b) het bij de mogelijk van afstand niet goed te observeren gebeurtenis niet veeleer ging om het met de schop en door uittrappen uitgevoerde blussen van het vuur door de genoemde arbeidsleiding? De compagnie 9 Pößneck met een sterkte van 103 man had tijdens de inzetdagen van 2.-7.11.1944 bij 100% paraatheid 412 man-schichten kunnen leveren, maar er werden slechts 334 bereikt, d.w.z. 81% (vgl. tabel 1, MÜLLER [151]). De sterkte nam van dag tot dag verder af. De afnemende arbeidsbereidheid was deels ook te wijten aan de slechte weersomstandigheden. De krachtsverhoudingen zullen ook bij de compagnieën uit de andere plaatsen vergelijkbaar zijn geweest. Een volgende inzetperiode voor de Pößneckers was van 6.2. - 9.3.1945, d.w.z. zes weken lang*), waarbij de onderbrenging in de fabrieksstollen en deels ook in het nieuw opgerichte, maar nog niet volledig voltooide woonkamp in het Zwabitztal bij Bibra was. Het kamp kon naar verluidt 1.000 bewoners opnemen. (Waarschijnlijk samen met het kamp in het Schindlertal, die beide later dienden voor de opname van personeelsleden van de vliegtuigfabriek). *) Aan deze inzet heeft de schrijver niet deelgenomen, omdat hij inmiddels dienstplichtig was geworden in het Torpedoarsenaal Mitte, Rudolstadt. De hier gegeven gegevens betreffen hoofdzakelijk de achterin geciteerde mondelinge en schriftelijke gegevens van zijn klasgenoten en anderen, die in die tijd weer naar Walpersberg waren opgeroepen. Ook de leeftijdsgenoten en iets oudere schoolmeisjes werden in februari in grotere aantallen verplicht tot werk bij de REIMARG. Hun taak was het ondersteunen van de inzet van de jongens, d.w.z. het onderhouden van de woonbarakken en helpen in de keukendienst (CEBULLA [2], PEITL [16]). Tijdens deze inzet beleefden zij volgens HETTLER [8] op 21 februari 1945 om 13.35 uur de start van de eerste Me 262-jetjager uit de REIMARG-productie. Volgens CEBULLA [2] en GÜGOLD [5] verscheen ter afhaling van de vliegtuigen herhaaldelijk een oorlogsinvalide, beenamputatie-piloot van de luchtmacht op een motorfiets. Volgens de toen circulerende geruchten kon niet eenduidig worden vastgesteld dat de vliegtuigen uitsluitend voor het in vliegen en verdere uitrusting naar Zerbst werden gevlogen (vgl. o.a. RADINGER, SCHICK [17] en JURLEIT [10]). Zo werd onder meer beweerd dat de vliegtuigen deels ook naar de luchthaven Erfurt werden overgebracht, wat echter niet overeenkwam met de feiten. De kampen bij Bibra waren nog niet voltooid (twee verdiepingen tellende stenen barakken), er ontbrak onder meer nog de installatie van water, dat daarom met emmers van de tappunten voor de barakken moest worden gehaald. Ook hier was de gebrekkige hygiëne het bijzondere kenmerk: de toiletten waren uiterst primitief en buiten de gebouwen. Om te slapen dienden strozakken en wollen dekens. De kamers waren uitgerust met eenvoudige houten meubels (gewoonlijk met stapelbedden, kluisjes, tafels en stoelen) en werden verwarmd met de ijzeren "kanonnenovens", waarop niet alleen de natte kleren werden gedroogd, maar ook het gebruikte water werd verwarmd en het droge legerbrood wegens gebrek aan beleg geroosterd.het kamp stond nog midden in modder en vuil (afbeelding 4), er waren nog geen verharde paden tussen de barakken, waardoor het gebrek aan stevig schoeisel voor de meeste jongeren hier bijzonder onaangenaam werd ervaren. Deze tweede jeugdinschakeling werd begin/midden maart afgebroken vanwege de steeds meer epidemisch om zich heen grijpende darmaandoeningen en uitbrekende tyfus (CEBULLA[2], ENGELHARDT[4] HADRICH[6], PEITL[16]). Van de in februari/maart 1945 in de kampen rond Bibra levende jongens werden enkelen ook ingezet voor koeriersdiensten en andere lichtere werkzaamheden op het bouwterrein (HÄDRICH [6]). De meesten waren echter nog steeds bezig met het scheppen op de startbaan, een scheppen dat - zo leek het - geen einde wilde nemen, hoewel rond half februari het betoneren van de startbaan praktisch was afgerond en alleen nog restwerkzaamheden stonden te wachten. Een deel van het af te graven gesteente ligt ook vandaag de dag nog als talud aan de zuidrand van het plateau. Waarschijnlijk moesten ze daar als strategische reserve blijven, om in het geval van inslagen van springbommen op de startbaan materiaal beschikbaar te hebben voor het weer opvullen van de kraters. Voor zover de jongeren niet in de kampen rond Bibra konden worden ondergebracht, sliepen ze in een blindestol in het gebied van de voormalige en nu uitgebreide en uitgebouwde porseleenzandgroeve onder de zuidoostelijke helling van de berg. Deze had een betonnen vloer en was wit gekalkt. Hij was uitgerust met elektrische verwarmingsbuizen die langs de naden (ulmen) liepen. Er werd op stro geslapen, in twee rijen met de voeten naar het midden van de schacht, ieder met drie dekens. Van tijd tot tijd trok een veiligheidscommando met lange ijzeren staven door het hele schachtsysteem om door het afkloppen van nokken en naden eventuele loszittende stenen te lokaliseren en te verwijderen, waardoor de gekalkte wanden geleidelijk een gevlekt uiterlijk kregen. Hier in dit ondergrondse nachtverblijf was er het grote voordeel van het gebruik van een nieuwe, ruime, tot hoofdhoogte roodbruinig betegelde sanitaire ruimte, die na de tot dan toe slechte ervaringen bij de REIMAHG bijna ongelooflijk verbazing wekte. Deze installatie behoorde tot de voorzieningen van de vliegtuigfabriek. In het midden van de ruimte stond een rij aan beide zijden aangebrachte wastafels met stromend water, toiletten waren aan de zijkanten aan de muren geïnstalleerd (ENGELHARDT [4]). De sanitaire ruimte mocht altijd alleen per groep worden bezocht, omdat deze in het uitgestrekte, labyrintachtige onregelmatige schachtsysteem van het oude groevegebied (met deels zeer smalle toegangen en doorgangen) voor onbekenden moeilijk te vinden was en daardoor ook niemand bij deze gelegenheid alleen de poging kon ondernemen om privétochten te maken, bijvoorbeeld zelfs naar de fabrieksgangen, die natuurlijk het middelpunt van alle begrijpelijke nieuwsgierigheid waren en waar men vanaf bepaalde plaatsen op weg naar de slaapstol vluchtige inkijk kon nemen. Daarin stonden de werk- en draaibanken visgraatachtig tegenover elkaar opgesteld (ENGELHARDT [4]). In de slaapstol werden ook de in porseleinen kommen geserveerde warme maaltijden genuttigd, die in melkkanen werden aangeleverd. Nadelig bleek in de ondergrondse behuizing 's avonds de volledige afzondering van de buitenwereld en van alle nieuwsbronnen, temeer daar het rondlopen in de schachten en daarmee de mogelijkheid om eventueel iets nieuws te vernemen, verboden was. Naast het bijzondere voordeel van het gebruik van de nieuwe, voorbeeldige sanitaire ruimte was hier het gevoelige nadeel te verwerken dat in de slaapstol vanwege het ontbreken van de juiste installaties de verlichting 's nachts niet kon worden uitgeschakeld (ENGELHARDT [4]).

Namen en trefwoorden

  • Startbahn
  • Massenarbeit
  • Ober-/Untertage-Verbinder

Bronnen en verwijzingen

  1. zeitzeugen_komplett.pdf (Original, 845 Seiten)