Walpersberg Logo

Getuigenis

Pieter Braaksma – Kahla

De heer Braaksma vertelt dat hij, nadat hij de Hogere Burgerschool had afgerond, graag de zee op wilde gaan. Vanwege zijn slechte ogen werd hij echter afgekeurd. Hij besloot daarom te gaan studeren en koos voor de richting architectuur aan de Hogere Technische School. Door de oorlog ging het bergafwaarts. Om niet in Duitse handen te vallen, werkte hij tijdens de bezetting een paar jaar bij de modelbouwafdeling van de Rotterdamse Lloyd. Ook maakte hij veel muziek. Hij trad vaak op met een band. Braaksma herinnert zich dat hij zich in het centrum van Rotterdam, op de Goudse Singel, bevond toen de oorlog uitbrak. Rotterdam werd gebombardeerd. Hij vluchtte op de fiets. Om aan de kogels te ontkomen, dook hij op de grond. Het was verschrikkelijk, maar hij overleefde het. Daarna vertelt hij over de dag dat hij werd gearresteerd. Hij had een afspraak met een meisje; samen met een vriend en een vriendin van haar. Toen de meisjes niet verschenen, gingen Braaksma en zijn vriend weg. Toen ze om een hoekje gingen, zagen ze dat daar een razzia plaatsvond. Braaksma werd aangehouden en gefouilleerd. Hij had twee exemplaren van Vrij Nederland bij zich. Hij kreeg die af en toe van een vriend en gaf ze door aan familie en vrienden. Maar hij behoorde niet tot het verzet. Dat was niets voor hem. Het leek hem niet zinvol: een aantal verzetsacties had geleid tot repressies. Hij ervoer de bezetting als slecht. Met een groepje had hij zich af en toe met NSB’ers gevochten en was altijd ontsnapt. 1 Het was begin oktober 1943 toen Braaksma bij de razzia werd opgepakt. Hij werd verhoord. De behandeling was grof en ruw. Behalve de twee bladen van Vrij Nederland had hij ook een vervalst identiteitsbewijs in zijn zak. Daarin stond dat hij in 1925 was gesteld in plaats van 1923. Dat kwam uit. Hij werd naar de gevangenis Haagse Veer en na een week naar kamp Erica in Ommen gebracht. Dat was een slecht kamp. Bij binnenkomst zag Braaksma een grote, magere man die met een bewaker aan zijn zijde hout aan het hakken was. Elke keer als de man viel, kreeg hij een schop zodat hij door bleef hakken. Ook bij de aanmelding werd hard geslagen. Gelukkig betrof dat niet Braaksma zelf. Hij moest daar vreselijk hard werken: bomen sjouwen. Na ongeveer twee weken werd hij naar kamp Amersfoort overgebracht, samen met een groep van de grensbewaking. Hij komt nog kort op kamp Erica terug. Degene die daar de leiding had, was een voormalige missionaris. ’s Avonds bij het eten was er eerst een minuut stilte voor de gelovigen. Daarna hadden de gevangenen heel weinig tijd om een paar happen te eten. Daarna werden alle borden opgehaald en de restjes kregen de varkens. Braaksma wist dat op de eerste dag nog niet en had, toen hij zijn bord moest inleveren, nog nauwelijks twee happen gegeten. Het eten was redelijk, maar op deze manier kreeg je bijna niets binnen. De bewakers in kamp Erica bestonden uit het zogenoemde KK – Kommando Controle – en dat waren allemaal Nederlanders. Er waren twee soorten gevangenen: de Groenen, die ook echt groene gevangeniskleding droegen, en de burgers. Braaksma behoorde tot de burgers. Hij zag dat de Groenen door de bewakers werden mishandeld. Dat gebeurde bij de burgers niet. Ook al werden er af en toe spelletjes met hen gespeeld. Nadat Braaksmas moeder zijn verblijfplaats had gevonden, bracht ze hem kleding. Later tijdens het transport van Amersfoort naar Buchenwald had hij daar last van, omdat hij toen zwak was en zijn koffers zelf moest sjouwen. Braaksma vervolgt zijn verhaal met de aankomst in kamp Amersfoort. Eerst moest hij in de „Rozentuin“. Dat was een ongeveer twee meter brede ruimte voor het appelplein, waar alle nieuwe gevangenen naartoe werden gestuurd. Bij binnenkomst werd hij gedesinfecteerd en kaal geschoren en kreeg hij kleding. De kleding in Amersfoort bestond onder andere uit uniformen van de post en het leger. Als iemand tabak bij zich had, kreeg hij schoenen in plaats van klompen. Sokken waren er niet, alleen vodden. Tijdens de eerste dagen was het rondlopen op het appelplein de belangrijkste activiteit. Braaksma vertelt dat hij geluk had dat hij in de barak naast Van Heek, een textielmagnaat, was ondergebracht. Van Heek was zijn bedgenoot en hij raakte met hem bevriend. Toen Van Heek werd vrijgelaten, 2 bezocht hij de familie van Braaksma. Hij bracht ze op de hoogte van de laatste stand van zaken. Bovendien schreef hij Braaksma een brief – die deze nog steeds bezit – onder andere over het Riga-transport. Braaksma dreigde het transport naar het Russische front, maar hij weigerde dat te erkennen. Braaksma’s ervaringen in kamp Amersfoort waren verschrikkelijk. Hij werkte in het „Kleinholz“- Kommando. Met een bezem van takken moest hij in het bos kleine takken bij elkaar vegen en daarná de hoopjes weer verspreiden. Volgens hem was dit werk uitsluitend bedoeld om de mensen te breken. De bewaker was half gek. Hij sloeg, sprong rond en tierde. Ook Braaksma kreeg klappen. Maar hij had ook geluk. In zijn barak woonden verzetsstrijders die hem een cursus over overlevingsstrategieën gaven. Zo leerde Braaksma dat hij niet mocht reageren als zijn buurman iets werd aangedaan. Verder herinnert hij zich dat er ’s middags tijdens de wachtwisseling twee gevangenen waren gevlucht. ’s Avonds bij het appel klopte de telling niet. Plotseling werden de honden op hen afgestuurd. De gevluchte gevangenen werden gepakt en teruggebracht naar het kamp. Daar werden ze op het appelplein gelegd. Eén van hen was al dood, de ander lag te sterven. Een arts die uit de ziekenbarak kwam stormen, werd teruggeduwd. Na het appel was ook de ander overleden. Dan vertelt Braaksma over een Jood die in de ziekenbarak verborgen zat. Hij werd opgespoord en in de „Rozentuin“ gezet. Met een geweer in zijn handen moest hij hurken, met een bewaker aan zijn zijde. Als hij viel, werd hij geschopt totdat hij weer rechtop zat. De andere gevangenen werden gedwongen om vanaf het appelplein toe te kijken. Ook deze man stierf. Dat was erg aangrijpend. Braaksma had het geluk dat hij op een dag in het NSF-Kommando kwam. Dat was de Nederlandse Signaalapparaten Fabriek van Philips. Hij kon in een barak zittend werken en kreeg een extra maaltijd. Daarvoor had hij ongeveer tien dagen in het aardappelkommando gewerkt. Dat was zwaar werk. Er moest een lading aardappelen gelost worden. Omdat dat niet snel genoeg ging, moest hij uiteindelijk met twee manden vol aardappelen naar de kuil lopen. Dat was erg vermoeiend. Het NSF was een veel beter kommando. Mensen uit de zwaardere kommando’s, de zogenaamde strafkommando’s, probeerden zich soms te onttrekken door gewoon op het toilet te blijven zitten. Maar soms werden de toiletblokken met knuppels ontruimd. Braaksma had het ongeluk dat hij eens precies tijdens zo’n ontruiming op het toilet zat. Ook

Onderzoeksstatus gedocumenteerd

Onderzoeksrecord

Gedocumenteerde gegevens

Persoon
Pieter Braaksma
Rol
Zwangsarbeiter
Plaats
Kahla
Periode
April 1945

Overlevering en context

Herr Braaksma vertelt dat hij, nadat hij de Hogere Burgerschool had afgerond, graag de zee op wilde gaan. Vanwege zijn slechte ogen werd hij echter afgekeurd. Daarom besloot hij te gaan studeren en koos hij voor de richting architectuur aan de Hogere Technische School. Door de oorlog ging het bergafwaarts. Om niet in Duitse handen te vallen, werkte hij tijdens de bezetting een paar jaar bij de modelbouwafdeling van de Rotterdamse Lloyd. Ook maakte hij veel muziek. Hij trad vaak op met een band. Braaksma herinnert zich dat hij zich in het centrum van Rotterdam, op de Goudse Singel, bevond toen de oorlog uitbrak. Rotterdam werd gebombardeerd. Hij vluchtte op de fiets. Om aan de kogels te ontkomen, dook hij op de grond. Het was verschrikkelijk, maar hij overleefde het. Daarna vertelt hij over de dag dat hij werd gearresteerd. Hij had een afspraak met een meisje; samen met een vriend en een vriendin van haar. Toen de meisjes niet opdoken, gingen Braaksma en zijn vriend weg. Toen ze om een hoekje gingen, zagen ze dat daar een razzia plaatsvond. Braaksma werd aangehouden en gefouilleerd. Hij had twee exemplaren van Vrij Nederland bij zich. Hij kreeg die wel eens van een vriend en gaf ze door aan familie en vrienden. Maar hij behoorde niet tot het verzet. Dat was niets voor hem. Het leek hem niet zinvol: een aantal verzetsacties had geleid tot repressies. Hij ervoer de bezetting als slecht. Met een groepje had hij zich af en toe met NSB’ers geslagen en was altijd ontsnapt. 1 Het was begin oktober 1943 toen Braaksma bij de razzia werd opgepakt. Hij werd verhoord. De behandeling was grof en ruw. Behalve de twee bladen van Vrij Nederland had hij ook een vervalst identiteitsbewijs in zijn zak. Daarin stond dat hij in 1925 was geboren, in plaats van 1923. Dat kwam uit. Hij werd naar de gevangenis Haagse Veer gebracht en na een week naar kamp Erica in Ommen. Dat was een slecht kamp. Bij binnenkomst zag Braaksma een grote, magere man die met een bewaker aan zijn zijde hout aan het hakken was. Elke keer als de man viel, kreeg hij een schop zodat hij door bleef hakken. Ook bij de aanmelding werd hard toegeslagen. Gelukkig betrof dat Braaksma zelf niet. Hij moest daar vreselijk hard werken: bomen sjouwen. Na ongeveer twee weken werd hij samen met een groep van de grensbewaking overgebracht naar kamp Amersfoort. Hij komt nog kort terug op kamp Erica. Degene die daar de leiding had, was een voormalige missionaris. ’s Avonds bij het eten was er eerst een minuut stilte voor de gelovigen. Daarna hadden de gevangenen heel weinig tijd om een paar happen te eten. Daarna werden alle borden opgehaald en kregen de varkens het etensafval. Braaksma wist dat op de eerste dag nog niet en had, toen hij zijn bord moest inleveren, nog nauwelijks twee happen gegeten. Het eten was redelijk, maar op die manier kreeg je bijna niets binnen. De bewakers in kamp Erica bestonden uit het zogenaamde KK – Kommando Kontrolle – en dat waren allemaal Nederlanders. Er waren twee soorten gevangenen: de Groenen, die ook echt groene gevangeniskleding droegen, en de burgers. Braaksma behoorde tot de burgers. Hij zag dat de Groenen door de bewakers werden mishandeld. Dat gebeurde niet met de burgers. Al werden er af en toe spelletjes met hen gespeeld. Nadat Braaksma’s moeder zijn verblijfplaats had achterhaald, bracht ze hem kleren. Later op het transport van Amersfoort naar Buchenwald had hij daar last van, omdat hij toen zwak was en zijn koffers zelf moest sjouwen. Braaksma vervolgt zijn verhaal met de aankomst in kamp Amersfoort. Eerst moest hij in de „Rosentuin“. Dat was een ongeveer twee meter brede ruimte voor het appelplein, waar alle nieuwe gevangenen naartoe werden gestuurd. Na binnenkomst werd hij gedesinfecteerd en kaalgeschoren en kreeg hij kleding. De kleding in Amersfoort bestond onder andere uit uniformen van de post en het leger. Als iemand tabak bij zich had, kreeg hij schoenen in plaats van klompen. Sokken waren er niet, alleen vodden. Tijdens de eerste dagen was het rondlopen op het appelplein de belangrijkste activiteit. Braaksma vertelt dat hij geluk had dat hij in de barak naast Van Heek, een textielmagnaat, was ondergebracht. Van Heek was zijn bedgenoot en hij raakte met hem bevriend. Toen Van Heek werd vrijgelaten, bezocht hij de familie van Braaksma. Hij bracht hen op de hoogte. Bovendien schreef hij Braaksma een brief – die deze nog steeds bezit – onder andere over het Riga-transport. Braaksma dreigde het transport naar het Russische front, maar hij weigerde dat te erkennen. 2 Braaksma’s ervaringen in kamp Amersfoort waren verschrikkelijk. Hij werkte in het „Kleinholz“-kommando. Met een bezem van takken moest hij in het bos kleine takken bijeenvegen en daarna de hoopjes weer verspreiden. Volgens hem was dit werk uitsluitend bedoeld om de mensen te breken. De bewaker was half gek. Hij sloeg, sprong rond en tierde. Ook Braaksma kreeg klappen. Maar hij had ook geluk. In zijn barak woonden verzetsstrijders die hem een cursus over overlevingsstrategieën gaven. Zo leerde Braaksma dat hij niet mocht reageren als zijn buurman iets werd aangedaan. Verder herinnert hij zich dat er op een middag tijdens de wachtwisseling twee gevangenen waren gevlucht. ’s Avonds bij het appel klopte de telling niet. Plotseling werden de honden op hen afgestuurd. De gevluchte gevangenen werden gepakt en teruggebracht naar het kamp. Daar werden ze op het appelplein gelegd. Eén van hen was al dood, de ander lag te sterven. Een uit de ziekenbarak stormende arts werd teruggeduwd. Na het appel was ook de ander overleden. Daarna vertelt Braaksma over een Jood die in de ziekenbarak verborgen zat. Hij werd opgespoord en in de „Rosentuin“ gezet. Met een geweer in de handen moest hij hurken, met een bewaker aan zijn zijde. Als hij viel, werd hij geschopt totdat hij weer rechtop zat. De andere gevangenen werden gedwongen om vanaf het appelplein toe te kijken. Ook deze man stierf. Dat was zeer aangrijpend.Braaksma had het geluk dat hij op een dag in het NSF-commando kwam. Dat was de Nederlandse Signaalapparaten Fabriek van Philips. Hij kon in een barak zittend werken en kreeg een extra maaltijd. Daarvoor had hij ongeveer tien dagen in het aardappelcommando gewerkt. Dat was zwaar werk. Er moest een vracht aardappelen gelost worden. Omdat dat niet snel genoeg ging, moest hij uiteindelijk met twee manden vol aardappelen naar de kuil lopen. Dat was erg inspannend. Het NSF was een veel beter commando. Mensen uit de zwaardere kommando’s, de zogenaamde strafkommando’s, probeerden zich soms te onttrekken door gewoon op het toilet te blijven zitten. Maar soms werden de toiletblokken met knuppels ontruimd. Braaksma had het pech dat hij precies tijdens zo’n ontruimingsactie op het toilet zat. Ook

Namen en trefwoorden

  • Befreiung
  • Emotion

Bronnen en verwijzingen

  1. zeitzeugen_komplett_ocr.pdf