Getuigenis
Getuigenverklaring Henriette Gerth
Bronnabije nieuwe OCR van het in de complete PDF overgeleverde verslag van Henriette Gerth.
Onderzoeksstatus gedocumenteerd
Onderzoeksrecord
Gedocumenteerde gegevens
- Persoon
- Henriette Gerth
- Rol
- Zeitzeuge
- Plaats
- Kahla / Walpersberg
- Periode
- 1944-1945; spaetere Niederschrift oder Befragung
- Herkomst
- Deutschland
Overlevering en context
„Dus het waren eigenlijk toch slechte toestanden“
Gesprek met een dienstplichtige Duitse aan de Walpersberg
Door Cornelius Lehmann, Kempen / Niederrhein
Henriette Gerth werd in 1920 geboren als dochter van een meubelfabrikant in een kleine stad in de Thüringische Rhön. Met de wereldwijde economische crisis van 1929 verloor het gezin hun fabriek en hun vermogen. In 1935 verhuisde de moeder met Henriette en haar jongere zus naar Weimar, de geboortestad van hun grootouders. De vader volgde later en vond werk bij de Gustloff-Werken. Na haar opleiding tot correspondent in vreemde talen (Engels, Frans en Italiaans) in Leipzig en Dresden verhuisde Henriette Gerth naar Berlijn, waar ze als vertaalster werkte bij het Arbeitswissenschaftlichen Institut. Daarna werd ze daar overgeplaatst naar de administratie van een wapenfabriek en kwam zo in het voorjaar van 1945, toen Berlijn al in puin lag, in Kahla terecht.
Over haar korte dienstverband bij de REIMAHG aan de Walpersberg heeft ze bijna 70 jaar gezwegen – omdat niemand ernaar vroeg. In het voorjaar van 2014 nam haar achterneef een gesprek op, dat redactioneel werd bewerkt en hieronder in fragmenten is afgedrukt.
Je hebt tegen het einde van de oorlog een tot twee weken in Kahla bij de REIMAHG gewerkt. Hoe is dat zo gekomen?
Ik ben door het arbeidsbureau Berlijn daarheen gestuurd en daardoor ben ik pas een paar dagen daarvoor uit Berlijn gekomen, anders had ik het daar misschien helemaal niet overleefd. Ik was immers al in Berlijn in de wapenindustrie ingezet. En toen kwam er een bevel dat ik me in Kahla moest melden. Ik was nog in februari 1945 in Berlijn. En toen kreeg ik dat oproepbevel dat ik me onmiddellijk in Kahla moest melden. Toen ben ik met de trein naar Kahla gegaan. En zo ben ik daar gekomen.
Hoe was het toen in Berlijn?
Ik weet nog dat het zo was: als er een aanval was, en Berlijn had bijna elke dag alarm, dan had je van die speciale kaarten, waarop je invulde, ongeveer zoiets als: ik leef nog, of zo. En die stuurde je per post naar huis. En dat heb ik ook gedaan. Ik stuurde mijn moeder na elke aanval zo’n kaart. En toen raakte ik al geïrriteerd, want ik zag dat onze moeder in Weimar helemaal niet wist wat het betekende om in Berlijn te leven, aan het einde van de oorlog. Want ze klaagde er steeds over dat ik haar alleen maar met een oppervlakkige, nietszeggende kaart afpoeierde. En ik was al tevreden dat ik haar altijd zo’n kaart schreef. Zodat ze wist dat ik nog leefde. En daaraan zag ik dat ze geen idee had wat er in Berlijn gebeurde. Dat weet ik nog, dat heb ik haar toen erg kwalijk genomen, dat ze me nog iets kwalijk nam wat eigenlijk helemaal niet kwalijk was, maar juist lofwaardig.
Wat moest je in Kahla doen?
Ik weet niet eens wat we daar deden. Waarschijnlijk gewoon kantoorbaan, dat weet ik niet meer precies. Ik heb vermoedelijk in de administratie gewerkt, want ik was een administratief medewerker.
Hoe was je daar ondergebracht?
We woonden in een oude fabriek. Daar waren we ondergebracht als hulpkrachten. En omdat ik Italiaans kon spreken, waren er daar aardige mannen die dan onze kamer verwarmden, omdat ik hen om hulp kon vragen. Die maakten dan vuur voor ons, staken de kachel aan, zodat we het niet zo koud hadden. Dat heb ik aan mijn Italiaans te danken.
De een vereerde me zeker omdat ik Italiaans kon spreken. En het was zo: aan de ene kant van de muur waren de kamers waar de mijnwerkers ondergebracht waren. En in de andere kamer waren wij vrouwen ondergebracht en daartussen was de muur. En dan klopte de Italiaan die ons, godzijdank, de kamer verwarmde, altijd op de muur en wenste ons „goede nacht“ in het Italiaans, dus „buona notte“.
Met hoeveel vrouwen sliepen jullie ’s nachts in die kamer?
Nou, er waren altijd twee bedden boven elkaar, dat waren huisvrouwen en zo, allemaal zulke mensen die waren opgeroepen, we zullen misschien met tien vrouwen in een kamer geweest zijn. En sommigen hadden dienst in de keuken en zo. Mijn god, ja. (lacht) Het was als een leeggeruimde fabriek. En toen waren er allemaal kranen naast elkaar en daaronder was een afvoer. Daar moest je je wassen. Daar wasten ook de mijnwerkers zich, maar niet tegelijk met ons. Soms namen we ook een waskom vol koud water mee naar onze fabriekruimte. Dat was heel primitief. We hadden daar van die stapelbedden waarin we sliepen.
Dus het was zeker een fabrieksgebouw en geen houten barakken?
Nee, naar mijn mening was het geen barak, maar een fabrieksgebouw.
Maar hoe kon de Italiaan dan op de muur kloppen?
Het kan zijn, dat weet ik natuurlijk niet precies, dat er houten wanden zijn geplaatst zodat er meerdere kamers ontstonden. Want ze konden ons vrouwen niet met de mannen in één kamer zetten.
Hoe gingen jullie ’s ochtends van je onderkomen naar het werk?
Te voet! We gingen ’s ochtends het huis uit; dat waren meestal de mijnwerkers die de berg op moesten. En dan liep je door de duisternis, want het was winter en koud en donker; je liep tot de ingang bij de berg. En daar werd je dan ontvangen en in de tunnel gebracht waar je werkte.
Ik weet alleen nog dat ik ’s ochtends met de mijnwerkers die daar boven werkten de berg op moest. Daar liep ik ’s ochtends heel vroeg met die mannen de berg op. Boven ontmoette ik dan een Italiaan die ook bij ons in dat huis woonde. Die bracht me dan naar mijn tunnel. En omdat ik een jong meisje was, was hij natuurlijk erg beleefd en vriendelijk tegen me en bracht me dan naar mijn kantoorafdeling.
Hoe lang liepen jullie ’s ochtends de berg op?
Ongeveer een half uur. En dan werd je bij zo’n ingang ontvangen en de berg in geleid.
Werd je daar gecontroleerd? Had je een werkpas of iets om te laten zien?
Dat weet ik niet meer. Dat kan wel zo zijn, maar dat weet ik niet meer. Maar misschien ook niet, want misschien kenden ze de mensen al als ze er elke dag aankwamen.En wat heb je toen gedaan?
Ik vermoed schrijfwerk. Want ik was tenslotte een kantoorkracht. Maar dat weet ik niet meer zo precies.
Was er een lunchpauze of zoiets?
Ik geloof dat we daar iets te eten konden krijgen, zeker niet gratis, maar misschien een stoofpot of een soep of zoiets.
Hoeveel uur moesten jullie in de mijn werken? Gingen jullie nog bij daglicht naar binnen of gingen jullie weer in het donker terug?
Dat weet ik niet precies. Maar dat interesseerde hen allemaal niet. De werktijd stond vast, of het nu koud of warm was, licht of donker: we moesten doen wat werd bevolen. Daarom hebben we zeker niet maar acht uur gewerkt. Maar ik weet niet meer hoe lang de officiële werktijd was.
Was je bang voor de bazen?
Nee, eigenlijk niet. In Kahla niet.
Boven in de mijn had je ook contact met de Italianen.
Ja, daar waren Italianen. Er waren ook Russen als krijgsgevangenen. Maar met hen kon ik niet praten, alleen met de Italianen. Maar contact is ook te veel gezegd. Ik kon ze groeten en ze waren zo blij met de klanken van hun vaderland dat ze zo vriendelijk waren en ons altijd vuur maakten, beneden in onze kamer. Anders zouden we in een koude kamer zijn gekomen. Maar doordat die ene Italiaan ons vuur maakte, was het tenminste warm als we terugkwamen in de kamer.
Zegt “Stelle Null” je iets? Dat was de ingang van de mijn, waar de kantoren waren ondergebracht.
Dat is zeker het begin; daar werd je dan naar de schacht gebracht waar je hoorde. Maar altijd alleen door vriendelijke mensen. Ik was tenslotte een jong meisje. En een jong meisje heeft veel meer kansen dan iemand anders. Voor een jong meisje deden ze soms dingen die ze misschien voor iemand anders niet hadden gedaan. En daarom werd ik, geloof ik, door zo’n Italiaan naar mijn schacht gebracht. Want anders zou je je misschien nog verliezen. Want het is donker, afgezien van de kleine lampjes.
Heb je ook gezien hoe daar arbeiders werden geslagen?
Ja. En dat heb ik toen aan mijn moeder verteld, omdat het me opgewonden maakte. Zoiets was ik niet gewend. Maar als je iets moet rechtvaardigen, dan hebben ze altijd een excuus. Toen zeiden ze, als ik me goed herinner, dat de mensen niet goed hadden gewerkt of zoiets. En wij waren gewend aan gehoorzaamheid. Maar niet zo dat het me niet stoorde om te zien dat iemand werd geslagen.
En wie sloeg daar wie?
Dat weet ik niet. Ik heb het alleen door het raam gezien. Want de kamers waren deels door ramen of deuren of zoiets met elkaar verbonden. En heel verschrikkelijk was het op de toiletten. Als je op het toilet was, keek je altijd over de deur naar buiten. Je zag dus precies als iemand op het toilet was. Dus het waren eigenlijk toch slechte toestanden.
3
En toen kreeg je daar tyfus.
Ik weet alleen nog dat ik misselijk werd en dat ik toen daar in de berg flauw viel en de hele dag in de ziekenmijn daar boven werd gehouden. ’s Avonds ben ik toen naar het bedrijfsziekenhuis gebracht, omdat ik nog steeds niet beter was. Ik werd op een vrachtwagen gelegd en toen naar dat kasteel gebracht. Daar was het ziekenhuis van het bedrijf. Daar vermoedden ze waarschijnlijk al dat ik tyfus had. Alleen ik wist het nog niet.
En vanuit het ziekenhuis hebben ze toen onze moeder in Weimar op de hoogte gebracht, dat het goed zou zijn als er iemand kwam, omdat ik ziek was. Dat had ik onze moeder natuurlijk niet verteld.
En toen was mijn zus al vanuit Dresden na de aanval bij onze moeder in Weimar.
Mijn zus was toen verpleegster bij het Duitse Rode Kruis.
Kun je je je ziekenhuisverblijf herinneren?
Mijn zus heeft me verteld dat het van het ziekenhuis, dus van dat kasteel, behoorlijk steil naar de straat beneden ging en dat het erg spannend zou zijn geweest als ze daar met de fiets had moeten rijden. Dat heeft ze me onlangs nog verteld. Daar kon ze zich nog goed aan herinneren.
Weet je nog hoe het kasteel heette waar het ziekenhuis was?
Dat heette Hummelshain.
Precies, dat is het kasteel van Hummelshain. En dat was het bedrijfsziekenhuis van REIMAHG. Kun je je nog herinneren hoe het in het ziekenhuis was?
Nou, ik was goed verzorgd, want iedereen was bang voor tyfus. Ik was goed ondergebracht. Ik lag ook alleen; ik was uiteindelijk alleen overgebleven. En daar was zo’n professor... Aan de naam kan ik me niet meer herinneren.
Weet je misschien nog op welke verdieping je lag of in welke kamer?
Niet op de begane grond! Ik geloof dat ik op de eerste verdieping lag. Maar met zekerheid kan ik dat niet zeggen.
Waren er in het ziekenhuis ook krijgsgevangenen of alleen Duitsers?
Daar waren ook buitenlandse arbeiders. En toen was het zo: eerst lagen de Duitse patiënten in het kasteel. Daarbij hoorden nog andere gebouwen, zulke barakken, daar lagen dan de buitenlanders. En toen werd er omgeroosterd, toen moesten de Duitsers uit het kasteel, behalve ik, omdat ik tyfus had, en ze bang waren, en toen kwamen de buitenlanders in het kasteel. Dat was toen niet meer juist, dat de buitenlanders in barakken woonden, en wij, die de oorlog hadden verloren, dan in het kasteel waren. Ik was een van de weinige Duitsers die toen als patiënte in het kasteel werd gelaten.
Dat was dan vanaf april 1945, in de tijd dat de Amerikanen Thüringen bezetten.
Ja, en daar was een Poolse arts, maar die was gelukkig ook nog beleefd tegen mij.
En mijn zus kan zich nog herinneren dat ze daar boven ontslagen Duitse soldaten hadden opgenomen, zonder te zeggen dat het Duitse soldaten waren. En toen hebben ze hun medailles en onderscheidingen, hun ijzeren kruisen en zo onder mijn matras gelegd. Daar keek niemand naar, want iedereen was bang om bij mij te komen en zich te besmetten.
En daar heb ik dan op hun onderscheidingen gelegen en heb ze als het ware bewaakt als tyfuspatiënte.
4Dus Duitse soldaten hebben zich dus verstopt in het ziekenhuis van Hummelshain voor de Amerikanen?
Of ze werden daar verstopt. En zodat ze niet wisten dat het soldaten waren, moesten ze ervoor zorgen dat alles wat daarop wees, verdween. Daarom hebben ze het IJzeren Kruis of wat ze zo hadden, bij mij onder het matras gelegd.
Hoe lang had je tyfus?
Ik ben 9 weken ziek geweest. En toen zeiden ze dat de Russen kwamen. Onder de Russen wilden we niet zijn, en toen ben ik ontslagen.
Vervolgens is Henriette Gerth eerst door haar zus naar het ziekenhuis in Jena gebracht en daarna naar het appartement van hun moeder in Weimar. In het stadhuis daar hebben de drie vrouwen bij de Amerikanen aangevraagd om Thüringen te mogen verlaten en naar Hessen te vluchten voordat de Russen arriveerden. Omdat Henriette Gerth er door de tyfus doodziek uitzag, hebben de Amerikanen het verzoek ingewilligd. Een buurman heeft hen geholpen met de reis naar Hessen. Hij heeft een kleine auto en een chauffeur geregeld die de drie vrouwen naar Bad Hersfeld heeft gebracht. In ruil daarvoor hebben ze hem hun huisraad overgelaten. In Bad Hersfeld heeft Henriette Gerth drie jaar als chef-secretaresse in het ziekenhuis gewerkt en onder andere de correspondentie met de Amerikaanse bezetters verzorgd. Met de oprichting van de twee Duitse staten konden de drie vrouwen niet terugkeren naar Weimar en zijn ze naar hun familie aan de Nederrijn verhuisd. Daar wonen de twee zussen en hun nakomelingen nog steeds.
Cornelius Lehmann, M.A.
Kempen / Nederrijn
Promovendus aan de Goethe-Universiteit Frankfurt/Main
5
Namen en trefwoorden
Bronnen en verwijzingen
- zeitzeugen_komplett.pdf (Original, 845 Seiten)